EEN ODE AAN JO BOVENKERK
- HWP x De Zaak Muurbloem

- 4 mei
- 18 minuten om te lezen

Gewonden verplegen aan het front tijdens de Spaanse Burgeroorlog én actief zijn in het Amsterdamse verzet tijdens de Nederlandse bezetting. Jo Bovenkerk deed het allebei, en haar ervaringen waren totaal verschillend. In haar woning in Amsterdam vertelt Jo’s dochter Karien Maas over de herinneringen aan haar moeder die haar leven lang streed voor vrede en menslievendheid.
‘Eigenlijk begon de Tweede Wereldoorlog in Spanje’, zegt Karien. ‘De Duitsers en de Italianen hadden strijdkrachten naar Spanje gestuurd om generaal Franco te ondersteunen. Hitler probeerde in Spanje zijn verwoestende wapentuig uit.’ Kariens moeder Jo Bovenkerk (1905-2005) streed tijdens beide conflicten voor gerechtigheid. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog was Jo verpleegster aan het front en tijdens de Nederlandse bezetting door de Duitsers was ze actief in het verzet in Amsterdam.
Jo Bovenkerk had een groot inlevingsvermogen. Dat medeleven voor anderen had ze al toen ze jong was. Ze werd geboren in Amsterdam, maar groeide op in het toenmalige Nederlands-Indië. Karien vertelt: ‘Haar vader werkte bij de Nederlandse pakketvaart en hij was de eerste machinist die op een boot verschillende eilanden van de archipel langsging. Zijn gezin mocht mee naar Indonesië omdat hij er voor langere tijd gestationeerd werd. Al met al woonde de familie Bovenkerk negentien jaar op verschillende eilanden in Nederlands-Indië.
‘Haar ouders wilden graag dat ze ging studeren. Duits was destijds een belangrijke taal, de intellectuele scéne speelde zich af in Berlijn. De stad trok veel kunstenaars en schrijvers aan. Mijn moeder was onder de indruk van de Duitse literatuur.’ De studie viel tegen en na een jaar of twee stopte ze ermee. ‘Ze wilde iets betekenen voor anderen’, licht Karien toe. ‘Ze wilde verpleegster worden. Het werd haar roeping. Ze begon als leerling-verpleegster in het Binnen Gasthuis, toen nog gevestigd in het centrum van Amsterdam.’
De Spaanse Burgeroorlog
In 1931 was Spanje een democratisch gekozen republiek. Jarenlang ondermijnd door staatsgrepen van nationalisten onder leiding van generaal Franco en met steun van nazi-Duitsland en Italië. ‘Mijn moeder en haar collega’s voorzagen dat het de foute kant op ging,’ aldus Karien. ‘Ze vonden dat het fascisme gestopt moest worden voordat het groter zou worden.’ In 1936 vond er opnieuw een militaire staatsgreep plaats in Spanje. De nationalisten stonden tegenover de republikeinen. Er brak een bloedige burgeroorlog uit. Burgers wereldwijd voelden sympathie voor de linkse idealen van de republikeinen. En dat gold ook voor Jo. Met medewerking van het Comité Hulp aan Spanje is ze als verpleegster naar het front vertrokken.
‘Mijn moeder was meertalig. Ook het Spaans leerde ze snel. In de trein naar hun bestemming oefenden de Nederlandse verpleegsters met de Spanjaarden allerlei verschillende woordjes. Vooral die ze nodig konden hebben als verpleegster. Woorden als “been”, “pijn,” “waar?” en dat soort dingen.
Vanwege haar talenkennis werkte Jo eerst een tijdje bij de internationale persdienst, waar ze de nieuwtjes van het front binnen kreeg en deze in verschillende talen moest doorgeven. Na een poosje kon ze werken als hoofdverpleegster in het Nederlands Hospitaal ten zuidoosten van Madrid. Als het leger oprukt moet het hospitaal verhuizen richting de Costa Brava, waar de optrekkende legers van Franco nog niet zijn aangekomen. ‘De verhuizing van gewonden en medische apparatuur was een helse klus’, vertelt Karien. ‘Het vervoer ging per trein en duurde vijf dagen en vijf nachten. De verpleegsters moesten aan het werk in leegstaande villa’s. Veel rijke Spanjaarden waren naar het buitenland gevlucht toen de republiek werd uitgeroepen. Hun villa’s stonden leeg. Die waren door het verplegend personeel en met hulp van de lokale bevolking omgebouwd tot ziekenhuis. Het resultaat was verre van ideaal. Stel je voor: de operaties werden verricht in een prachtige kamer met muurschilderingen, maar zonder deur. Er liepen zwerfhonden naar binnen, die hun uitwerpselen achterlieten, dat trok veel vliegen aan. Erg onhygiënisch. En er was bovenal een groot gebrek aan materiaal en medicijnen.’
‘Mijn moeder zag de enorme tegenstelling tussen de schoonheid van de omgeving enerzijds en de gebrekkigheid waar ze als zorgpersoneel mee te maken hadden anderzijds. Ze vertelde dat één van die villa’s een prachtig ovaal raam had in het toilet. Vanuit dat raam keek je uit op de Costa Brava uit. Schitterend, vond ze dat! Maar er was geen elektra en stromend water. Het toilet moesten ze met een emmertje doorspoelen.’
‘Ze was helemaal uit Nederland gekomen om mensen op de been te helpen,’ vertelt Karien verder. ‘Dat ging heel moeilijk onder die slechte omstandigheden. De dokters en verplegers moesten allerlei patiënten helpen: strijders van het front en burgers die zwaargewond waren na bombardementen. Mijn moeder zag met eigen ogen de gruwelijkheden van de oorlog.’
In 1939 wordt de Spaanse Burgeroorlog gewonnen door de troepen van Franco. Jo keert teleurgesteld naar Nederland terug. In Amsterdam geeft ze lezingen over haar ervaringen en haalt ze geld op voor het comité Hulp aan Spanje om slachtoffers van de strijd nog zoveel mogelijk bij te staan. In het bijzonder voor gezinnen waarvan de kostwinners tijdens het Franco regiem in de gevangenis zaten.
De Nederlandse bezetting
Een jaar later wordt ons eigen land bezet door de Duitsers. ‘Alles wat mijn moeder uit Spanje had – foto's, papieren, brieven – heeft ze direct in de kachel verbrand,’ zegt Karien. ‘Want dat kon allemaal tégen haar worden gebruikt. Alleen al om het feit dat je in Spanje was geweest kon je zo maar in Auschwitz of Bergen-Belsen eindigen.’
Jo woonde aan het begin van de Duitse bezetting aan de Professor Tulpstraat, achter het Amstelhotel. Gedreven door haar barmhartigheid, ging ze op zoek naar een huis met een goede verstopplek voor onderduikers. Die vond ze in de Govert Flinckstraat, vlakbij het Sarphatipark. ‘Er was daar een ruimte onder de stoep voor twee mensen’, vertelt Karien. Ze deed het voor een Joods bevriend echtpaar. Maar die hebben het aanbod van mijn moeder uiteindelijk toch niet aangenomen. Ze hadden drie kinderen en ze wilden alleen met het hele gezin onderduiken. Mijn moeder is toen op zoek gegaan naar twee andere mensen die een onderduikadres nodig hadden. Die vond ze via een connectie van haar die een boekwinkel had in de Beethovenstraat, een buurt waar toen veel Joden woonden. Die man wist welke mensen een adres nodig hadden. Mijn moeder heeft het eerste en beste echtpaar waar die man mee aan kwam in huis genomen.’
Jo werkte op dat moment nog steeds als verpleegster, inmiddels in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam West. Haar wijde verpleegsterscape kwam goed van pas toen ze actief werd in het verzet. ‘Onder die cape kon ze van alles smokkelen, zoals illegale blaadjes. Misschien ook wel wapens, maar dat weet ik niet met zekerheid’, zegt Karien. ‘Maar dat ze illegale krantjes verspreidde, dat staat vast. Ze gooide ook kleine strookjes papier op straat in de lucht met verzetsteksten zoals “de Duitsers zijn aan het verliezen”. Die dwarrelden dan mee op de wind. Het waren boodschappen om de Amsterdammers te vertellen dat de bevrijding eraan kwam en dat ze de propaganda van de Duitsers niet moesten geloven. Mijn moeder stal ook persoonsbewijzen van haar collega’s. Ze wist dat die vrij makkelijk een nieuwe kregen. En Met het gestolen persoonsbewijs ging ze naar iemand toe die de naam en foto veranderde. Zo kreeg een joods iemand een nieuwe identiteit, zonder Joodse achternaam.
Over verzetswerk werd gezwegen
Voor het begin van de Tweede Wereldoorlog waren de ouders van Jo nog behoorlijk pro-Hitler. Zij wilden Jo er nog wel eens op wijzen dat er in Duitsland veel goede dingen gebeurde; er waren mooie snelwegen en de kinderen droegen allemaal nette schoenen. Maar op een dag midden in de oorlog zijn de ouders van Jo opeens spoorloos verdwenen. ‘De deur van hun woning stond open. Je kon zomaar naar binnen lopen. Er stond nog een kopje thee op tafel,’ zegt Karien. ‘Waar waren ze gebleven? Ze bleken in de gevangenis aan de Havenstraat te zitten. Ze werden verdacht van deelname aan het verzet.’ Vader Bovenkerk bleek actief lid van de verzetsgroep de Geus te zijn. Moeder Bovenkerk was geen lid, maar deed wel mee aan illegale acties. ‘Zij wordt gelukkig na drie dagen al vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Mijn opa heeft langer gevangen gezeten,’ vertelt Karien. ‘Hij is pas vrijgelaten nadat mijn moeder in haar verpleegstersuniform naar de gevangenis was gegaan. Ze wist dat de Duitsers respect hadden voor verpleegsters. Ze heeft aan het hoofd van de gevangenis in perfect Duits medegedeeld dat mijn opa een tropische ziekte had die de hele gevangenis zou kunnen infecteren, inclusief het personeel.’ De list had het beoogde resultaat, vader Bovenkerk kwam vrij. ‘Mijn moeder was natuurlijk trots op haar vader. Hij was van iemand met bewondering voor Hitler veranderd in iemand die gevaarlijk werk deed tegen de Duitse bezetter. Dit verhaal laat zien dat je tijdens de oorlog om veiligheidsredenen onmogelijk met elkaar kon praten over je rol in het verzet, zelfs niet met je naaste familie.’
Met onderduikers in huis was Jo heel voorzichtig. Ze durfde drie jaar lang niemand thuis uit te nodigen. Niemand mocht merken dat ze Joden verborg. De Tweede Wereldoorlog was volgens Karien voor haar moeder een hele eenzame tijd. ‘Haar tijd aan het front in Spanje was heel anders. Als zij gevraagd werd naar haar tijd daar, dan zei zij iets in de aard van: “Je zult het niet geloven, maar het was een vreselijke maar ook een fantastische tijd.’ Woorden van die strekking. Aan het front is toch iets anders dan thuis met twee Joden in de kelder. De solidariteit die zij in Spanje voelde heeft zij fantastisch gevonden, net als het samen werken aan een betere wereld.’
De Nederlandse Veiligheidsdienst
Na de oorlog had Jo grote problemen met het vinden van werk. ‘Mijn moeder dacht na een goed sollicitatiegesprek vaak dat ze haar wel wilde hebben maar kreeg tot haar verbazing dan toch een briefje met een afwijzing. Ze begreep daar niks van totdat een schooldirecteur zei: “u mag het niet verder vertellen, maar de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) zit ertussen. Ik had u graag gehad, maar ik kan u niet aannemen want de BVD verbiedt het mij.” Toen ze dit hoorde werden alle onbegrepen afwijzingen duidelijk.’
Jo was lid van de Communistische Partij Nederland (CPN). ‘Mijn moeder was communist in de puurste zin van het woord, ze hechte weinig waarde aan materiele zaken, licht Karien toe. ‘Ze gaf alles weg. Ze gaf zelfs míjn spullen weg. Als ik op reis was geweest en ik kwam na een maand terug, dan moest ik wel eens vragen: “Ma, waar is mijn dekbed?” Die had ze weggegeven want de leraar Frans had het koud. Zo is ze tot haar einde gebleven.’ Vanwege haar betrokkenheid bij de CPN wordt Jo na 1945 als bedreiging gezien voor de nationale veiligheid. Daardoor kon ze jarenlang niet aan werk komen.
Op haar 52ste besloot Jo haar studie Duits weer op te pakken. Haar jonge dochter Karien speelde daar een rol bij. ‘Ik was een klein kind en als verpleegster moest ze ook nachtdiensten draaien,’ vertelt Karien. ‘Ze wilde er ‘s nachts voor mij zijn. Ook toen ik groter was wilde ze niet dat ik in mijn eentje thuis was, dat vond ze niet goed voor een kind. Ze heeft nog kort gewerkt als assistente van een joodse arts, ik meen mij te herinneren dat het Ben Polak was. Uiteindelijk kwam er een vacature lerares Duits aan de HBS in Enkhuizen op haar pad. De directeur van die school heeft niet de tijd gehad om mijn moeder te checken bij de BVD, wat hij wel hoorde te doen. Dus toen kon mijn moeder eindelijk aan het werk. We moesten wel naar Enkhuizen verhuizen.’
Jo is overtuigd communist maar houdt dit zo veel mogelijk geheim. Karien herinnert zich dat ze in Enkhuizen snel op de krant De Waarheid moest gaan zitten als er andere leraren op bezoek kwamen. Ze was bang dat ze ontslagen zou kunnen worden omdat ze een communistische krant las.’ Een angst die heel terecht was. Want wat Jo niet wist maar waar ze achter kwam: ze had een dossier bij de BVD en werd zelfs lange tijd gevolgd door een medewerker van de BVD.
In 1981 stapte Jo uit de CPN. ‘Het was natuurlijk een enorme klap voor alle communisten dat het nieuws uitkwam dat Stalin zo’n moordenaar was geweest,’ zegt Karien. ‘Dat was een belangrijke beweegreden voor mijn moeder om haar lidmaatschap op te zeggen.’ Vanaf 1982 stopte de BVD met het volgen van Jo. Jarenlang heeft ze geprobeerd inzage te krijgen in haar dossier dat de veiligheidsdienst had bijgehouden. Ze heeft zelfs met andere benadeelden geprocedeerd. Pas op haar negentigste heeft ze daar uiteindelijk als eerste Nederlander toestemming voor gekregen om haar dossier in te zien. Karien ging met haar moeder mee naar Den Haag. Ze werden ontvangen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
‘Wij kregen twee uur de tijd om het dossier in te kijken. De helft was weggelakt. Je kon lang niet alles lezen. Wel dat ze schoenmaat 42 had. Dat was natuurlijk komisch, dat kwam in alle krantenkoppen te staan. Stel je eens voor: er is dus een informant achter haar aan gelopen toen ze een schoenenwinkel inging! Is dit nou nuttige informatie? Achteraf gezien heeft die man van de BVD twintig jaar zijn tijd verdaan.’ Toch zijn er ook schokkende dingen in het dossier te lezen. ‘De bijeenkomsten van de CPN waar ze heen ging werden afgeluisterd. Wat voor mijn moeder ook schrikken was is dat de BVD zelfs bij haar ouders was gaan informeren. Dat vond ze ongehoord. Ook buren waren ondervraagd. Die waren allemaal lovend over haar omdat ze voor van alles bij mijn moeder terecht konden – zij was de gratis buurtverpleegster. Je zou bijna denken dat de BVD dacht “er wordt zo positief over haar gesproken, daar gaan we niet meer achteraan.” Maar dat was niet het geval.’
Activisme tot op hoge leeftijd
Jo stapte dan wel af van het communisme, actief is ze altijd gebleven, bijvoorbeeld in verschillende vredesorganisaties. Tot op hoge leeftijd demonstreerde ze elke maand op de Dam tegen de wapenwedloop, soms stond ze daar in haar eentje. Ze verzamelde handtekeningen voor goede doelen, ze schreef brieven naar staatshoofden via Amnesty International en ze zette zich in voor gevangen die ter dood waren veroordeeld. Het laatste deel van haar leven woonde Jo in het Amsterdamse Henriette Roland Holst-huis. In 2005, een week na haar honderdste verjaardag, is Jo Bovenkerk overleden. Yad Vashem gaf haar na haar dood de eretitel ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ voor haar werk in het Nederlandse verzet en haar hulp aan joodse onderduikers. ‘Ik ben trots op haar.’

Clara Kroes is feminist, één van de oprichters van De Zaak Muurbloem, en ze schrijft over vrouwen. In de jaren ‘80 richtte ze het meidenblad Kwameid op.

Jasmijn Groot is genderhistorica. Ze publiceert artikelen voor onder andere Opzij en Winq en stelt haar expertise ter beschikking aan verschillende multimedia.
- ENGLISH BELOW -

Caring for the wounded at the front during the Spanish Civil War and being active in the Amsterdam resistance during the German occupation of the Netherlands—Jo Bovenkerk did both, and her experiences were completely different. In her home in Amsterdam, Jo’s daughter, Karien Maas, recounts her memories of a mother who spent her entire life fighting for peace and humanity.
“Actually, the Second World War began in Spain,” says Karien. “The Germans and the Italians had sent troops to Spain to support General Franco. Hitler used Spain to test his destructive weaponry.” Karien’s mother, Jo Bovenkerk (1905–2005), fought for justice in both conflicts. During the Spanish Civil War, she worked as a nurse at the front, and during the German occupation of the Netherlands, she was active in the resistance in Amsterdam.
Jo Bovenkerk had a deep sense of empathy. She already showed compassion for others at a young age. She was born in Amsterdam but grew up in what was then the Dutch East Indies. Karien explains: “Her father worked for a Dutch shipping company and was the first engineer on a ship that traveled between various islands of the archipelago. His family was allowed to accompany him to Indonesia because he was stationed there for a long period. Altogether, the Bovenkerk family lived for nineteen years on different islands in the Dutch East Indies.”
“Her parents wanted her to pursue higher education. German was an important language at the time; the intellectual scene was centered in Berlin. The city attracted many artists and writers. My mother was impressed by German literature.” Her studies disappointed her, and after a year or two she quit. “She wanted to be of use to others,” Karien explains. “She wanted to become a nurse. It became her calling.” She began as a trainee nurse at the Binnen Gasthuis, then still located in the center of Amsterdam.
The Spanish Civil War
In 1931, Spain became a democratically elected republic. For years it was undermined by nationalist coups led by General Franco, supported by Nazi Germany and Italy. “My mother and her colleagues foresaw that things were heading in the wrong direction,” says Karien. “They believed fascism had to be stopped before it could grow.” In 1936, another military coup took place in Spain. The nationalists faced off against the republicans, and a bloody civil war broke out. People around the world sympathized with the left-wing ideals of the republicans—and Jo was no exception. With the help of the Committee for Aid to Spain, she left for the front as a nurse. “My mother was multilingual. She quickly learned Spanish as well. On the train to their destination, the Dutch nurses practiced all kinds of words with the Spaniards—especially the ones they would need as nurses. Words like ‘leg,’ ‘pain,’ ‘where?’ and so on.”
Because of her language skills, Jo initially worked for the international press service, receiving news from the front and relaying it in different languages. After some time, she became head nurse at the Dutch Hospital southeast of Madrid. When the army advanced, the hospital had to relocate toward the Costa Brava, where Franco’s advancing forces had not yet arrived. “Moving the wounded and medical equipment was a tremendous ordeal,” Karien recalls. “Transport was by train and took five days and five nights. The nurses had to work in empty villas. Many wealthy Spaniards had fled abroad when the republic was proclaimed, leaving their villas vacant. These were converted into hospitals by the nursing staff with the help of the local population. The result was far from ideal. Imagine this: operations were performed in a beautiful room with murals, but without a door. Stray dogs wandered in, leaving droppings that attracted flies. It was very unhygienic. And above all, there was a severe shortage of supplies and medicines.”
“My mother saw the stark contrast between the beauty of the surroundings and the difficult conditions the medical staff had to work in,” Karien continues. “She told me that one of those villas had a beautiful oval window in the toilet, overlooking the Costa Brava. She thought it was stunning! But there was no electricity or running water. They had to flush the toilet with a bucket.”
“She had come all the way from the Netherlands to help people recover,” Karien says. “That was very difficult under such poor conditions. The doctors and nurses had to treat all kinds of patients: fighters from the front and civilians severely wounded in bombings. My mother witnessed the horrors of war with her own eyes.”
In 1939, Franco’s forces won the Spanish Civil War. Jo returned to the Netherlands, disappointed. In Amsterdam, she gave lectures about her experiences and raised money for the Committee for Aid to Spain to continue supporting victims of the conflict—especially families whose breadwinners had been imprisoned under Franco’s regime.
The German Occupation of the Netherlands
A year later, the Netherlands itself was occupied by the Germans. “Everything my mother had from Spain—photos, papers, letters—she immediately burned in the stove,” says Karien. “Because it could all be used against her. Just having been in Spain could land you in Auschwitz or Bergen-Belsen.”
At the start of the occupation, Jo lived on Professor Tulpstraat, behind the Amstel Hotel. Driven by compassion, she looked for a house with a good hiding place for people in hiding. She found one on Govert Flinckstraat, near Sarphatipark. “There was a space under the sidewalk for two people,” Karien explains. “She intended it for a Jewish couple she knew. But they declined her offer—they had three children and wanted to go into hiding as a whole family. So my mother looked for two other people who needed a hiding place. She found them through a contact who owned a bookstore on Beethovenstraat, a neighborhood where many Jews lived at the time. That man knew who needed shelter. My mother took in the very first couple he brought to her.”
Jo was still working as a nurse, now at the Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam West. Her wide nurse’s cape proved useful when she became active in the resistance. “She could smuggle all sorts of things under that cape, like illegal pamphlets. Perhaps even weapons, though I’m not sure,” Karien says. “But it’s certain that she distributed underground newspapers. She also threw small slips of paper into the air in the streets with resistance messages like ‘the Germans are losing.’ They would drift along with the wind. These were messages to let the people of Amsterdam know that liberation was coming and that they shouldn’t believe German propaganda. My mother also stole identity papers from her colleagues. She knew they could easily get new ones. With those stolen papers, she went to someone who altered the name and photograph. That way, a Jewish person could receive a new identity without a Jewish surname.”
Silence about resistance work
Before the war, Jo’s parents had been quite pro-Hitler. They would sometimes point out to Jo that many good things were happening in Germany—fine highways, children wearing neat shoes. But one day, in the middle of the war, her parents suddenly disappeared. “The door of their house was open. You could just walk in. There was still a cup of tea on the table,” Karien says. “Where had they gone?” They turned out to be imprisoned at the Havenstraat prison, suspected of involvement in the resistance. Jo’s father was an active member of the resistance group De Geus. Her mother was not a member but did take part in illegal activities.
“Fortunately, she was released after three days for lack of evidence. My grandfather was imprisoned longer,” Karien explains. “He was only released after my mother went to the prison in her nurse’s uniform. She knew the Germans respected nurses. In perfect German, she told the prison director that my grandfather had a tropical disease that could infect the entire prison, including the staff.” The trick worked—her father was released. “My mother was proud of him. He had changed from someone who admired Hitler into someone doing dangerous work against the German occupiers. This story shows how, for safety reasons, people could not talk about their roles in the resistance, not even with close family.”
With people in hiding in her home, Jo was extremely careful. For three years, she did not dare invite anyone over. No one could suspect that she was hiding Jews. According to Karien, the Second World War was a very lonely time for her mother. “Her time at the front in Spain was very different. When asked about it, she would say something like: ‘You wouldn’t believe it, but it was a terrible yet also wonderful time.’ At the front, everything is different than being at home with two Jews hiding in your cellar. The sense of solidarity she felt in Spain was something she found extraordinary, as was working together toward a better world.”
The Dutch Security Service
After the war, Jo had great difficulty finding work. “After a good job interview, my mother often thought they wanted to hire her, but then she would receive a rejection letter. She didn’t understand why—until a school principal told her: ‘You mustn’t tell anyone, but the Domestic Security Service (BVD) is involved. I would have liked to hire you, but I’m not allowed to.’ When she heard this, all the unexplained rejections made sense.”
Jo was a member of the Communist Party of the Netherlands (CPN). “My mother was a communist in the purest sense of the word—she attached little value to material possessions,” Karien explains. “She gave everything away—even my things. If I had been traveling and came back after a month, I sometimes had to ask, ‘Mom, where is my duvet?’ She had given it away because the French teacher was cold. That’s how she remained until the end.” Because of her involvement with the CPN, Jo was seen as a threat to national security after 1945, which made it difficult for her to find work for years.
At the age of 52, Jo decided to resume her German studies. Her young daughter Karien played a role in this decision. “I was a small child, and as a nurse she also had to work night shifts,” Karien says. “She wanted to be there for me at night. Even when I was older, she didn’t want me to be home alone.” She briefly worked as an assistant to a Jewish doctor—Karien recalls his name may have been Ben Polak. Eventually, a vacancy for a German teacher at a secondary school in Enkhuizen came her way. “The principal didn’t have time to check her with the BVD, which he was supposed to do. So my mother was finally able to work. But we had to move to Enkhuizen.”
Jo kept her communist beliefs largely hidden. Karien remembers having to quickly sit on the newspaper De Waarheid whenever other teachers came to visit. “She was afraid of being dismissed for reading a communist newspaper.” That fear was justified. Unbeknownst to her at the time, Jo had a file at the BVD and was followed for years by one of its agents.
In 1981, Jo left the CPN. “It was a huge shock for communists when it became known that Stalin had been such a murderer,” says Karien. This was an important reason for her to end her membership. From 1982 onward, the BVD stopped monitoring her. For years, she tried to gain access to her file and even took legal action with others in similar situations. At the age of ninety, she finally became the first Dutch citizen to receive permission to view her file. Karien accompanied her to The Hague, where they were received at the Ministry of the Interior.
“We were given two hours to look at the file. Half of it was redacted—you couldn’t read much. But we did learn that she wore shoe size 42. That was rather comical—it even made newspaper headlines. Imagine: an informant followed her into a shoe store just to note that! Is that really useful information? In hindsight, that BVD agent wasted twenty years of his time.” Still, the file also contained disturbing details. “Meetings of the CPN she attended had been bugged. What shocked my mother most was that the BVD had even questioned her parents. She found that outrageous. Neighbors had also been questioned—and they were all very positive about her, because people could come to her for anything—she was the neighborhood’s unpaid nurse. You’d almost think the BVD concluded, ‘everyone speaks so positively about her, let’s stop investigating.’ But that wasn’t the case.”
Activism into old age
Although Jo distanced herself from communism, she remained active throughout her life, for example in various peace organizations. Even at an advanced age, she demonstrated every month on Dam Square against the arms race—sometimes standing there alone. She collected signatures for good causes, wrote letters to heads of state through Amnesty International, and advocated for prisoners sentenced to death. In the final years of her life, Jo lived in the Henriette Roland Holst House in Amsterdam. In 2005, one week after her hundredth birthday, Jo Bovenkerk passed away. After her death, Yad Vashem awarded her the honorary title “Righteous Among the Nations” for her work in the Dutch resistance and her help to Jewish people in hiding. “I am proud of her.”

Clara Kroes is a feminist, one of the founders of De Zaak Muurbloem, and she writes about women. In the 1980s, she founded the girls’ magazine Kwameid.

Jasmijn Groot is a gender historian. She publishes articles for, among others, Opzij and Winq, and shares her expertise across various multimedia platforms.




Opmerkingen