ZO MOEDER, ZO DOCHTERS
- Clara Kroes

- 22 mrt
- 10 minuten om te lezen

Mijn zoektocht naar het levensverhaal van mijn oudtante Anje Meeboer-Rot (Amsterdam 1906 – Eindhoven 1989) begon met één intrigerende zin in een familiestamboom: draagster van het Verzetsherdenkingskruis. In oorlogsarchieven ontdekte ik dat ze zich al in de eerste weken na de Duitse inval, in mei 1940, bij het verzet aansloot. Dankzij haar moed hebben veertien Joodse Amsterdammers de oorlog overleefd. Een prestatie die haar naam in de geschiedenisboeken had moeten neerzetten. Daarnaast sprak ik met Anjes dochter Janni die inmiddels 96 jaar is en in een verzorgingstehuis woont. Janni’s geheugen laat haar soms in de steek, maar van de oorlog herinnert ze zich alles nog heel precies, alsof het gisteren was. Met deze ode wil ik niet alleen mijn dappere oudtante herdenken, maar ook haar dochters Janni en Corry Meeboer, die als jonge meisjes hun moeder met haar illegale werk hebben geholpen.
Dochter Janni weet nog als de dag van gisteren hoe zij op 14 mei 1940 in haar bed lag en haar moeder hoorde huilen. ‘Dat was gek, want mijn moeder huilde nooit,’ vertelt ze. ‘Juist daarom herinner ik het me ook zo precies. Ze huilde omdat ze zich grote zorgen maakte, omdat ze wist welke gevaren er dreigden. Haar broer Tom had in de Spaanse Burgeroorlog met eigen ogen gezien tot welke vreselijke dingen fascisme in staat was. In tegenstelling tot mijn streng gereformeerde ouders was Tom niet gelovig en ook nog eens heel links. De mensen waarmee hij omging waren van een heel andere slag, maar mijn moeder zei: “We zijn nu één! We moeten met elkaar tegen de Moffen vechten!” Ook dat ben ik nooit vergeten, dat politieke en geloofsverschillen konden wegvallen en opeens niet meer belangrijk waren.'
De gereformeerde Anje Meeboer-Rot sloot zich kort na de capitulatie aan bij de socialistisch verzetsgroep De Vonk, waaraan onder andere haar broer Tom Rot, Anton de Kom, Henk Sneevliet, Henk van Randwijk en Nico Engelschman verbonden waren.
Huis vol onderduikers
In een achterhuis aan de Keizersgracht 683 bood Anje Meeboer-Rot tijdens de Tweede Wereldoorlog onderdak aan wie niemand anders durfde te huisvesten. In het pand was een groot kantoor gevestigd waarvan zij en haar man conciërge waren. Dit pand, dat met kruip- en sluipdoorgangen verbonden is met het naastliggende grachtenpand, bood een ideale schuilplek aan onderduikers. Ze namen er veertien in huis. Ze zaten overal. In het achterhuis. Op de zolderverdieping. Waar dan wel niet mogelijk was. Dochter Janni vertelde me dat er ook een jongetje van haar eigen leeftijd was, een extra speelkameraadje. ‘Eerst kon hij nog met ons op straat spelen, maar als snel niet meer,’ zegt ze. ‘We werden gewaarschuwd door iemand in ons huizenblok dat er over hem werd gepraat en dat men wist dat we Joden in huis hadden. Vanaf toen zijn we voorzichtig geworden en moest hij binnenblijven.’
Tijdens de oorlog zijn er meermaals huiszoekingen geweest. Janni weet nog toen de politie aanbelde wanneer haar zusje alleen thuis was. “Heel verstandig zei die toen dat onze ouders er niet waren en dat ze niemand mocht binnenlaten. Tja, een lief meisje van tien jaar, wat doe je dan? Ze dropen af.” De dochters waren goed geïnstrueerd en werden soms ook voor het verzet op pad gestuurd. Janni: ‘Mijn zus en ik moesten ergens heen en daar iets afgeven of ophalen. Ik weet eigenlijk niet wat ik dan meekreeg, maar zeker voedselbonnen en ook krantjes van het verzet. We kenden geen gevaar, we deden als kinderen gewoon wat ons werd opgedragen.’ Wel wisten ze dat ze er niet over mochten praten. ‘Maar we wisten wel dat we er niet over mochten praten en dat deden we ook niet, niet met anderen en niet met elkaar, zelfs niet na de oorlog.’
Voedselbonnen en eten
Janni vermoedt dat de winkeliers in de buurt wel wisten dat ze onderduikers hadden: ‘Kwam mijn moeder eerst voor vier personen boodschappen doen, opeens deed ze dat voor acht, negen en steeds meer mensen.’ Vanwege de onderduikers waren er altijd zorgen of er genoeg te eten voor iedereen was. ‘Mijn vader is op een gegeven moment bij de gemeente gaan werken bij de afdeling die voedselbonnen verdeelde,’ vertelt Janni. ‘Binnen een week had hij met andere ambtenaren een illegaal netwerk opgezet voor mensen die extra bonnen nodig hadden vanwege onderduikers.’ Kort daarna maakte Janni zelf dergelijke avonturen mee. ‘In de winter van 1944/45, ik was toen net vijftien geworden, heb ik twee keer een hongertocht gemaakt naar onze familie in Harderwijk. Ik fietste dat hele eind door een bijna verlaten wereld. Als ik een vliegtuig hoorde, dook ik in een mangat. De dijken waren doorgestoken en het water sijpelde over de weg. Maar niet alleen dat maakte het een gevaarlijke, en bovendien, eenzame tocht, immers: ‘In de oorlog ben je niet lang kind. Op de terugweg had ik melk, wat roggebrood en eendeneieren in mijn fietstas. De laatste keer ben ik onderweg aangehouden door een Duitse soldaat. Die pikte mijn goede fiets in en ruilde hem voor de zijne. Ik moest op houten banden verder.’
"Door jullie zijn we er nog"
Alle onderduikers die op de Keizersgracht woonden, hebben de oorlog overleefd. De meeste van hen zijn in contact gebleven met mijn oudtante en haar gezin. Ze waren er altijd bij, of het nu een bar mitswa of een ander feest betrof. En elk jaar, rond 5 mei, klonk er voor hen een dankbaar telefoontje: ‘Door jullie zijn we er nog.’
De meeste mensen waren goed
In mijn gesprek met Janni over de oorlog zei ze meerdere keren: ‘De meeste mensen waren goed.’ We weten beter dan ooit dat dit niet klopt. De meeste mensen probeerden er het beste van te maken en gingen door met hun leven zonder zich aan te trekken van wat er om hen heen gebeurde. Ze waren noch goed noch fout. Volgens Janni zijn mensen ‘goed’ als ze dingen wisten maar daar toch over zwegen. Denk aan de buren. De winkeliers. Iedereen die wist dat ze Joden in het huis hadden, maar het voor de rest van de wereld verzwegen. Soms denk ik dat de ouders van Janni in zo'n groot netwerk van verzetsmensen hebben gezeten, dat Janni de mensheid niet anders heeft kunnen kennen dan ‘goed.’ Wat de reden van haar optimisme ook mag zijn, tijdens mijn zoektocht in de archieven kwam ik in elk geval steeds nieuwe namen tegen van verzetsmensen die op de een of andere manier weer gelieerd waren aan De Vonk en Vrij Nederland. In de eigen familie zaten natuurlijk de broer van Anje in het verzet. Ook aan vaderskant was er een broer die samen met zijn vrouw een Joods meisje in huis hadden genomen als eigen dochter. Rond dat meisje woedde later een bittere voogdijstrijd tussen mijn familie en een verre Joodse oom, de enige overlevende van haar eigen familie. Maar dat is weer een heel ander verhaal.
Anje Meerboer-Rot en haar dochters sloegen zichzelf niet op de borst wanneer ze in actie kwamen voor mensen die dat nodig hadden. Nee, ze vonden het vanzelfsprekend om te doen wat ze deden.
Naschrift
Anje is na de oorlog gescheiden en woonde toen in de Tweede Constantijn Huygensstraat 54 in Amsterdam. Tot aan haar pensioen heeft ze als griffier bij de Rechtbank op de Prinsengracht gewerkt. Ze hield ervan om naar het Concertgebouw te gaan, te lunchen in het Americain en chique te souperen bij Dikker & Thijs. Ze is altijd trouw aan de kerk gebleven. Ze deed mee aan Actie Konijn en zorgde er zo voor dat vrouwen die in de gevangenis zaten een pakketje kregen met Kerst. Corry overleed op 47-jarige aan de gevolgen van kanker.
Clara schreef ook een Wikipedia pagina over haar oudtante Anje Meeboer-Rot.
Bronnen:
Noord-Hollands Archief
Onbekende auteur, Uwe kinderen als olijfplanten rondom de tafel (2003).

Clara Kroes is feminist en één van de oprichters van De Zaak Muurbloem, een organisatie die de historische vrouwen uit Amsterdam-West op verschillende manieren (weer) in de schijnwerpers zet. In de jaren ‘80 richtte ze het meidenblad Kwameid op en ze schrijft nog steeds over vrouwen.
- ENGLISH BELOW -

My search for the life story of my great-aunt Anje Meeboer-Rot (Amsterdam 1906 – Eindhoven 1989) began with a single intriguing sentence in a family tree: recipient of the Resistance Memorial Cross. In war archives, I discovered that she joined the resistance as early as the first weeks after the German invasion in May 1940. Thanks to her courage, fourteen Jewish residents of Amsterdam survived the war — an achievement that should have secured her a place in the history books. I also spoke with Anje’s daughter Janni, who is now 96 years old and lives in a care home. Janni’s memory sometimes fails her, but when it comes to the war, she remembers everything with striking clarity, as if it were yesterday. With this tribute, I want not only to honor my brave great-aunt, but also her daughters Janni and Corry Meeboer, who, as young girls, helped their mother in her illegal resistance work.
Daughter Janni remembers as if it were yesterday how, on May 14, 1940, she lay in bed and heard her mother crying. “That was strange, because my mother never cried,” she says. “That’s exactly why I remember it so clearly. She cried because she was deeply worried, because she knew what dangers lay ahead. Her brother Tom had seen with his own eyes in the Spanish Civil War the terrible things fascism was capable of. Unlike my strictly Reformed parents, Tom was not religious and was also very left-wing. The people he associated with were of a completely different kind, but my mother said: ‘We are one now! We must fight the Germans together!’ I never forgot that either—that political and religious differences could suddenly disappear and no longer matter.”
The Reformed Anje Meeboer-Rot joined the socialist resistance group De Vonk shortly after the capitulation, a group that included her brother Tom Rot as well as Anton de Kom, Henk Sneevliet, Henk van Randwijk, and Nico Engelschman.
A house full of people in hiding
In a rear house at Keizersgracht 683, Anje Meeboer-Rot provided shelter during the Second World War to those whom no one else dared to house. The building contained a large office where she and her husband worked as caretakers. The property, connected by crawl spaces and hidden passageways to the adjacent canal house, offered an ideal hiding place. They took in fourteen people. They were everywhere — in the rear house, in the attic, wherever space could be found.
Janni told me there was also a boy her own age, an extra playmate. “At first he could still play outside with us, but soon that was no longer possible,” she says. “We were warned by someone in our block that people were talking about him and that it was known we had Jews in the house. From then on we became cautious and he had to stay inside.”
During the war, there were several house searches. Janni still remembers when the police rang the doorbell while her younger sister was home alone. “Very wisely, she said our parents weren’t there and that she wasn’t allowed to let anyone in. Well, what do you do with a sweet ten-year-old girl? They left.”
The daughters were well instructed and were sometimes sent out on errands for the resistance. Janni: “My sister and I had to go somewhere to deliver or pick something up. I don’t really know what we carried, but certainly food ration coupons and also underground newspapers. As children, we didn’t know fear — we just did what we were told.” They did know they weren’t allowed to talk about it. “We knew we couldn’t talk about it, and we didn’t — not with others and not even with each other, not even after the war.”
Food coupons and survival
Janni suspects that local shopkeepers knew they were hiding people: “My mother used to shop for four people, and suddenly she was shopping for eight, nine, and more.” There was always concern about whether there would be enough food. “My father eventually went to work for the municipality in the department that distributed food coupons,” Janni explains. “Within a week, he and other officials had set up an illegal network for people who needed extra coupons because of those in hiding.” Not long after, Janni herself experienced such adventures. “In the winter of 1944/45, I had just turned fifteen, I twice made a hunger journey to our relatives in Harderwijk. I cycled that whole distance through an almost deserted world. When I heard an airplane, I would dive into a manhole. The dikes had been breached and water seeped across the road. But that wasn’t the only thing that made it dangerous and lonely: in the war, you don’t stay a child for long."
"On the way back, I had milk, some rye bread, and duck eggs in my bicycle bag. The last time, I was stopped by a German soldier. He took my good bicycle and swapped it for his. I had to continue on wooden tires.”
“Because of you, we are still here”
All the people in hiding at Keizersgracht survived the war. Most of them stayed in contact with my great-aunt and her family. They were always present — whether at a bar mitzvah or another celebration. And every year, around May 5, they would call with gratitude: “Because of you, we are still here.”
Most people were good
In my conversation with Janni, she repeatedly said: “Most people were good.” We now know better than ever that this is not entirely true. Most people tried to make the best of things and continued with their lives without paying attention to what was happening around them. They were neither good nor bad. According to Janni, people were “good” if they knew things but remained silent about them — the neighbors, the shopkeepers, anyone who knew they had Jews in the house but kept it hidden from the outside world. Sometimes I think Janni’s parents were part of such a large resistance network that she could not have known humanity as anything other than “good.” Whatever the reason for her optimism, my archival research kept revealing new names of resistance members connected in one way or another to De Vonk and Vrij Nederland. Within the family, Anje’s brother was of course involved in the resistance. On her father’s side, there was also a brother who, together with his wife, took in a Jewish girl as their own daughter. A bitter custody battle later arose over that girl between my family and a distant Jewish uncle, the sole survivor of her family. But that is another story.
Anje Meeboer-Rot and her daughters never boasted about their actions. They simply considered it natural to do what they did.
Postscript
After the war, Anje divorced and lived at Tweede Constantijn Huygensstraat 54 in Amsterdam. Until her retirement, she worked as a court clerk at the courthouse on the Prinsengracht. She enjoyed going to the Concertgebouw, having lunch at the Americain, and dining elegantly at Dikker & Thijs. She remained faithful to the church throughout her life. She participated in “Actie Konijn,” helping ensure that imprisoned women received a package at Christmas. Corry died at the age of 47 from the effects of cancer.
Clara also wrote a Wikipedia page about her great-aunt Anje Meeboer-Rot.
Sources:
Noord-Hollands Archief
Unknown author, Uwe kinderen als olijfplanten rondom de tafel (2003).

Clara Kroes is a feminist and one of the founders of De Zaak Muurbloem, an organization that brings historical women from Amsterdam-West back into the spotlight in various ways. In the 1980s, she founded the girls’ magazine Kwameid, and she still writes about women today.




Opmerkingen