top of page

15 VROUWEN VOOR ONZE CANON

Foto van schrijver: Bo van Versendaal
Bo van Versendaal
3 uur geleden
23 minuten om te lezen
canon of the netherlands

De Canon van Nederland is een lijst met de vijftig belangrijkste personen, gebeurtenissen en voorwerpen die samen het verhaal van de vaderlandse geschiedenis (pun intended) vertellen. In de Canon is op dit moment ruimte voor zeven vrouwen – ook al zitten daar een prehistorisch skelet en een romanpersonage bij – versus zeventien mannen. Daarom een suggestie voor extra vrouwen in de Canon van Nederland. 


De Canon van Nederland werd in 2006 samengesteld: een lijst met de vijftig belangrijkste personen, gebeurtenissen en voorwerpen die samen het verhaal van de vaderlandse geschiedenis vertellen, en die vooral wordt ingezet in het onderwijs aan leerlingen van acht tot veertien jaar. Een complex verhaal, waarbij met veel factoren rekening moet worden gehouden. In dat complexe verhaal was twintig jaar geleden plaats voor drie vrouwen: Aletta Jacobs, Anne Frank en Annie M.G. Schmidt.


In 2020 werd de Canon herzien, want zoals de samenstellers van de Canon, de Commissie-Van Oostrom zelf al zeiden: ‘een canon hoort niet in beton gegoten te zijn, maar vraagt, net als het wegennet, regelmatig onderhoud.’ Een prima zaak: na deze herziening haalden ook Trijntje, Maria van Bourgondië, Sara Burgerhart en Marga Klompé de selectie. Daarmee komt het aantal vrouwen op zeven – een mooie stap, ook al zijn er een prehistorisch skelet en een fictief personage voor nodig om dat aantal te halen. De Canon telt namelijk nog altijd zeventien mannen - en nog meer als de makers van de opgenomen voorwerpen worden meegeteld. 


Maar waaróm is het dan zo ingewikkeld om vrouwen een plek te geven in dit grote verhaal? Vrouwenhistorica van het eerste uur Els Kloek verklaart dit onder meer uit de verwetenschappelijking van de geschiedschrijving, waardoor persoonlijke verhalen naar de achtergrond verdwenen. Journalist Alies Pegtel voegt daaraan toe dat historici tot vijftig jaar geleden vrijwel allemaal mannen waren, die de geschiedenis daardoor door een mannelijke bril bekeken en geregeld sekseoordelen op het verleden projecteerden. Zo raakten de verhalen van vrouwelijke jagers uit de oertijd, middeleeuwse troubadours en ambachtsvrouwen op de bouwwerven van kathedralen, stadswallen en kastelen steeds verder uit zicht. 


Dat er wel degelijk veel vrouwen waren die opmerkelijke en belangrijke levens leidden, bewijzen bronnen als het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland van het Huygens Instituut en de uitgebreide collecties van Atria. Meer vrouwen in de Canon levert een veelzijdiger en genuanceerder beeld van de geschiedenis op. Neem bijvoorbeeld Anne Frank: dankzij haar dagboek hebben we heel andere inzichten gekregen in de Tweede Wereldoorlog dan de officiële bronnen ons konden bieden. 


Daarom hierbij een friendly suggestion voor vijftien vrouwen die thuishoren in de Canon van Nederland – om te laten zien dat er zélfs dan nog wat te kiezen valt. 


In 2006, the Canon of the Netherlands was compiled: a list of the fifty most important people, events and objects that together tell the story of Dutch history, intended for pupils between the ages of eight and fourteen. A complex story, one that has to weigh many factors. Twenty years ago, that complex story had room for just three women: Aletta Jacobs, Anne Frank and Annie M.G. Schmidt. In 2020 the Canon was revised, because, as the members of the Van Oostrom committee themselves put it: ‘a canon should not be cast in concrete but, like a road network, needs regular maintenance.’ A welcome move: after this revision, Trijntje, Mary of Burgundy, Sara Burgerhart and Marga Klompé also made the list. That brings the number of women to seven – a decent step forward, even if it takes a prehistoric skeleton and a fictional character to reach that total. The Canon still counts seventeen men, and more still if the makers of the included objects are counted too. 


So why is it so complicated to give women a place in this grand narrative? Women’s historian Els Kloek attributes this partly to the professionalisation of historical scholarship, which pushed personal stories into the background. Journalist Alies Pegtel adds that until fifty years ago historians were almost all men, who consequently viewed history through a male lens and regularly projected gender bias onto the past. As a result, the stories of prehistoric female hunters, medieval troubadours and the women who worked on the building sites of cathedrals, city walls and castles gradually faded from view. 

That there were, in fact, many women who led remarkable and important lives is demonstrated by sources such as the Huygens Institute’s Digital Women’s Lexicon of the Netherlands and the extensive collections of Atria. More women in the Canon makes for a richer, more nuanced picture of history. Take Anne Frank: thanks to her diary, we have gained entirely different insights into the Second World War than official sources alone could ever have offered. 


So here, as a friendly suggestion, are fifteen women who belong in the Canon of the Netherlands – to show that there is still plenty to choose from. 


Maria van Hongarije
Maria van Hongarije

Maria was een invloedrijke Habsburgse prinses, geboren in de Bourgondische Nederlanden, die een cruciale rol speelde in de politiek van Centraal-Europa. Ze was de zus van Karel V, keizer van het Heilige Roomse Rijk, die haar in 1531 aanstelde als landvoogdes – zijn plaatsvervanger in de Nederlanden. Er heerste veel onrust en weerstand in de Nederlanden vanwege de centralisatiepolitiek van Karel V, die de zelfstandigheid van lokale besturen probeerde in te perken. Maria toonde zich een vastberaden en volhardende vorstin die zorgde voor stabiliteit en tolerantie in tijden van grote religieuze spanningen, en speelde bovendien een belangrijke rol bij de opkomst van de renaissance in de Lage Landen. Toen Karel in 1555 troonsafstand deed, legde ook Maria na vijfentwintig jaar haar functie neer. Verzoeken van de nieuwe landsheer Filips II om aan te blijven als landvoogdes sloeg ze af. 


Mary was an influential Habsburg princess, born in the Burgundian Netherlands, who played a crucial role in the politics of Central Europe. She was the sister of Charles V, Holy Roman Emperor, who appointed her regent – his representative in the Netherlands – in 1531. There was widespread unrest and resistance in the Netherlands over Charles V’s centralising policies, which sought to curb the independence of local governments. Mary proved a determined and steadfast ruler who provided stability and tolerance in a time of great religious tension, and who also played an important role in the rise of the Renaissance in the Low Countries. When Charles abdicated in 1555, Mary too stepped down after twenty-five years in office. She turned down requests from the new sovereign, Philip II, to remain as regent. 



Mencía de Mendoza y Fonseca 
Mencía de Mendoza y Fonseca 

De Spaanse Mencía groeide op aan het hof van Valencia en gold als een van de geleerdste vrouwen van haar tijd. In 1524 trouwde ze met Hendrik III van Nassau (1483-1538), stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland, en werd daarmee gravin van Nassau. 

Het huwelijk betekende een verbond tussen Spaanse en Nederlandse adel. Het was een riskante zet van Karel V, die het huwelijk arrangeerde en daarmee openlijk de wens van de tweede hertog van Alva negeerde – die Mencía als vrouw voor zijn eigen kleinzoon had gewild. De wrok zou zelfs zo groot zijn geweest dat hierin de voedingsbodem lag voor de aversie van de hertogen van Alva tegen alles wat met de Nederlanden en de Nassaus te maken had. 

Mencía en haar man vestigden zich in Breda, en onder haar leiding ontwikkelde het Bredase hof zich tot een centrum van wetenschap. Ze onderhield contacten met vooraanstaande geleerden en kunstenaars en nam deel aan het debat over de intellectuele ontwikkeling van vrouwen. Door haar actieve rol in de bevordering van humanisme en renaissance in de Nederlanden, en haar inzet voor de ontplooiing van vrouwen, verdient Mencía een plek in de Canon – of op zijn minst in de regiocanon van Brabant. 


The Spanish-born Mencía grew up at the court of Valencia and was considered one of the most intelligent women of her time. In 1524 she married Henry III of Nassau (1483-1538), stadtholder of Holland, Zeeland, Utrecht and Guelders, becoming Countess of Nassau. 

The marriage forged an alliance between Spanish and Dutch nobility. It was a risky move by Charles V, who arranged the match and thereby openly overruled the wishes of the second Duke of Alba, who wanted Mencía to marry his own grandson. The resulting resentment is said to have been so great that it laid the groundwork for the House of Alba’s later hostility towards everything connected to the Netherlands and the House of Nassau. Mencía and her husband settled in Breda, and under her leadership the Breda court developed into a centre of scholarship. She maintained ties with leading scholars and artists and took part in the debate on the intellectual development of women. Through her active role in promoting humanism and the Renaissance in the Netherlands, and her commitment to the advancement of women, Mencía deserves a place in the Canon – or, at the very least, in the regional canon of Brabant. 


 

Kenau Simonsdochter Hasselaer
Kenau Simonsdochter Hasselaer

In het woordenboek staat bij ‘Kenau’ de betekenis ‘bazig manwijf’, maar het was de voornaam van een van de meest strijdbare verdedigsters van Haarlem tijdens het Spaanse beleg (december 1572 – juli 1573). Ze werd in haar eigen tijd in meerdere bronnen beschreven als een ‘kloeke vrouw en eerbare weduwe’ die twee vrouwenvendels aanvoerde en de Spaanse vijand met spies, bus (geweer) en zwaard bestreed. En hoewel Haarlem na zeven maanden overstag moest, had de stad de Spanjaarden veel gekost: ze hadden enorme verliezen geleden, en Alva had na de belegering grote moeite om zijn financiële middelen aan te vullen. 

Haar waarde werd zelfs gezien door de Prins van Oranje, onder wiens protectie zij zou hebben gestaan. Aan Kenau zijn in de loop der tijd talloze toneelstukken, gedichten en romans gewijd, waarin ze wordt neergezet als een deugdzame vrouw, een goede moeder en een ware liefhebster van de vrijheid. In de negentiende eeuw zwol de kritiek echter aan: Kenau’s heldendaden werden in twijfel getrokken, de bronnen erover werden onbetrouwbaar bevonden, en haar reputatie als de meest strijdbare verdedigster van haar stad viel in duigen. Of daarmee recht wordt gedaan aan haar leven, valt te betwijfelen. Gelukkig staat ze in elk geval al wel in de regiocanon van Haarlem.


The dictionary defines ‘Kenau’ as ‘a bossy battle-axe’, but it was once simply the first name of one of the most formidable defenders of Haarlem during the Spanish siege (December 1572 – July 1573). Contemporary sources describe her as a ‘sturdy woman and honourable widow’ who led two companies of women and fought the Spanish enemy with pike, gun and sword. And although Haarlem was ultimately forced to surrender after seven months, it had cost the Spanish dearly: they suffered enormous losses, and Alba struggled for a long time afterwards to replenish his finances. Her worth was recognised even by the Prince of Orange, under whose protection she is said to have stood. Over the years, countless plays, poems and novels have been dedicated to Kenau, portraying her as a virtuous woman, a good mother, and a true lover of freedom. In the nineteenth century, however, criticism mounted: Kenau’s heroic deeds were called into question, the sources about her were deemed unreliable, and her reputation as her city’s fiercest defender crumbled. Whether that does justice to her life is doubtful. Fortunately, she has at least already secured a place in the regional canon of Haarlem. 



Judith leyster self portrait
Judith Leyster

‘Why have there been no great women artists?’, vroeg kunsthistorica Linda Nochlin zich in 1971 af. Tot het eind van de negentiende eeuw hadden vrouwen geen toegang tot kunstopleidingen, maar toch waren er grote vrouwelijke kunstenaars. In de Nederlandse kunstgeschiedenis staat Judith Leyster bovenaan: zij geldt als een van de bekendste kunstenaars van de Gouden Eeuw, met een artistieke kwaliteit die zich laat meten met Jeroen Bosch, Rembrandt of Vincent van Gogh – die al wél in de Canon staan. 

In 1633 werd Judith toegelaten tot het Sint-Lucasgilde voor kunstambachtslieden en werd daarmee de eerste vrouw die tot meesterschilder werd benoemd. Daardoor kon ze, net als mannelijke kunstenaars, een eigen atelier opzetten, leerlingen opleiden en zelf haar schilderijen verkopen. Waar andere vrouwelijke collega’s vooral stillevens schilderden, maakte Judith ambitieuze en moderne genrestukken – niet gedetailleerd en verfijnd, maar juist met een ‘losse’ schildertechniek. Na haar dood raakte Judith Leyster enigszins in de vergetelheid. Eind negentiende eeuw werd haar werk ‘herontdekt’, en tegenwoordig is ze wereldwijd bekend. In 2021 werden Judith, samen met Gesina ter Borch en Rachel Ruysch, als eerste vrouwen toegevoegd aan de Eregalerij van het Rijksmuseum. 


‘Why have there been no great women artists?’, art historian Linda Nochlin famously asked in 1971. Until the late nineteenth century, women had no access to art academies, yet great women artists existed nonetheless. In Dutch art history, Judith Leyster stands at the very top: she is considered one of the finest artists of the Golden Age, her artistic quality measuring up to that of Hieronymus Bosch, Rembrandt or Vincent van Gogh – all of whom already have a place in the Canon. In 1633 Judith was admitted to the Guild of St Luke for artist-craftsmen, becoming the first woman ever declared a master painter. This allowed her, like her male peers, to run her own studio, train apprentices and sell her own paintings. Where other female contemporaries mostly painted still lifes, Judith created ambitious, modern genre scenes – rendered not in fine, precise detail, but with a deliberately ‘loose’ technique. 

After her death, Judith Leyster faded somewhat into obscurity. Her work was ‘rediscovered’ at the end of the nineteenth century, and today she is known the world over. In 2021, Judith, together with Gesina ter Borch and Rachel Ruysch, became the first women admitted to the Rijksmuseum’s Gallery of Honour – the Canon of the Netherlands has yet to follow suit. 


 

Maria was een tot slaaf gemaakte vrouw op de WIC-plantage Santa Maria op Curaçao. Over haar leven is weinig bekend, maar over haar einde des te meer. Bijna tachtig jaar vóór de grote slavenopstand van 1795 zou Maria het brein zijn geweest achter een van de eerste georganiseerde slavenopstanden op het eiland. Op 15 september 1716 kwamen zo’n tachtig tot slaaf gemaakten in verzet en vermoordden de plantagedirecteur, een lid van de ruiterij van de WIC en diens vrouw. Er ontstond een klopjacht en verschillende opstandelingen werden opgepakt. Tijdens de verhoren – onder foltering afgenomen – bleek al snel Maria’s vermeende betrokkenheid. Maria zou de moord op de plantagedirecteur hebben beraamd om de dood van haar man te wreken, waarna ze zou hebben gezegd: ‘Dat is goed, gaat maar voort.’ Ook zou ze de opstandelingen hebben opgeroepen om alle blanken te vermoorden en het geld van de Santa Maria-plantage te nemen om zich daarmee vrij te kopen. Ondanks dat ze zelf ook gemarteld werd, bleef Maria altijd ontkennen. Maria werd veroordeeld tot een gruwelijke dood, die door andere tot slaaf gemaakten moest worden uitgevoerd om een voorbeeld te stellen. Ze streed voor vrijheid en is een belangrijke verzetsheldin uit het Nederlandse slavernijverleden. 


Maria was an enslaved woman on the Dutch West India Company (WIC) plantation Santa Maria on Curaçao. Little is known about her life, but a great deal about her end. Nearly eighty years before the great slave revolt of 1795, Maria is believed to have been the mastermind behind one of the island’s first organised slave uprisings. On 15 September 1716, around eighty enslaved people rose up and killed the plantation director, a member of the WIC cavalry, and his wife. A manhunt followed, and several rebels were captured. Under interrogation – conducted through torture – Maria’s alleged involvement quickly surfaced. Maria is said to have plotted the plantation director’s murder to avenge her husband’s death, reportedly saying afterwards: ‘That is good, carry on.’ She is also said to have urged the rebels to kill all white people and take the money from the Santa Maria plantation to buy their own freedom. Although she herself was tortured, Maria always denied the charges. Maria was sentenced to a gruesome death, to be carried out by other enslaved people as a warning to others. She fought for freedom and stands as an important figure of resistance in the Dutch history of slavery. 

 


Belle van Zuylen
Belle van Zuylen

Belle groeide op in een vooraanstaande familie en mocht meedoen met het onderwijs van haar broers: ze sprak Latijn, was bedreven in wis- en natuurkunde, schilderde en musiceerde, en was goed op de hoogte van de literatuur van haar tijd. Van jongs af aan voelde ze de behoefte om kennis over te dragen, en voor veel vrouwen vervulde ze een belangrijke rol als mentor. Ze spoorde hen aan om hun eigen talenten te ontwikkelen en hun eigen weg te vinden, precies zoals ze zelf leefde. Een gevleugelde uitspraak van haar is dan ook: ‘Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid.’ In veel van haar romans is het mentorschap eveneens een groot thema, en leverde ze sociale en maatschappelijke kritiek op haar tijd. De laatste decennia neemt de belangstelling voor Belle van Zuylen toe. Ze heeft al een plaats veroverd in de regiocanon van Utrecht – een eerste erkenning voor de vrouw die van groot belang was voor het verlichtingsdenken in Nederland. 


Belle grew up in a prominent family and was allowed to share in her brothers’ education: she spoke Latin, was skilled in mathematics and physics, painted, played music, and was well versed in the literature of her time. From an early age she felt driven to pass on knowledge, and for many women she became an important mentor, encouraging them to develop their own talents and find their own path, just as she herself did. One of her best-known lines is: ‘I have no talent for subordination.’ Mentorship is likewise a recurring theme in many of her novels, through which she offered pointed social and political commentary on her era. Interest in Belle van Zuylen has grown in recent decades. She has already secured a place in the regional canon of Utrecht – a first, well-deserved recognition for a woman of great importance to Enlightenment thought in the Netherlands. 

 


Wilhelmina van Pruisen (1751-1820)  
Wilhelmina van Pruisen

De zestienjarige Wilhelmina trouwde in 1767 met de negentienjarige Willem V, Nederlands laatste stadhouder. Haar toestemming werd niet gevraagd, en ze zagen elkaar voor het eerst één dag voor de huwelijksvoltrekking. Samen kregen ze vijf kinderen, onder wie Willem Frederik, die de eerste koning van Nederland zou worden – een positie die hij zonder de inspanningen van zijn moeder niet zou hebben gehad. Wilhelmina had aanleg voor staatszaken en politiek, en hield zich daar in de loop der jaren steeds meer mee bezig; o.a. door politieke analyses te schrijven. Eind achttiende eeuw vluchtten Wilhelmina en Willem naar Engeland, toen de steeds grotere onvrede van het volk over de rol en positie van de stadhouder uitmondde in de Bataafse Revolutie. Twintig jaar brachten ze in ballingschap door, tot de val van Napoleon in 1813. Wilhelmina kreeg toen hoop op een terugkeer naar de Nederlanden en op eerherstel voor haar familie, en maakte daar actief werk van. Wilhelmina ging door het vuur voor de Republiek en legde tegelijkertijd de basis voor het huidige Nederland. 


At sixteen, Wilhelmina married the nineteen-year-old William V, the last stadtholder of the Netherlands. Her consent was never sought, and the couple first met just one day before the wedding. Together they had five children, including William Frederick, who would become the first King of the Netherlands – a position he would not have attained without his mother’s efforts. Wilhelmina had a genuine talent for statecraft and politics, and grew steadily more involved in it over the years; she is said to have written her own political analyses. In the late eighteenth century, Wilhelmina and William fled to England as growing public discontent over the stadtholder’s role and position culminated in the Batavian Revolution. They spent twenty years in exile, until Napoleon’s fall in 1813. Wilhelmina then found hope of a return to the Netherlands and of restoring her family’s honour, and worked actively to bring that about. Wilhelmina walked through fire for the Republic, while at the same time laying the foundations of the Netherlands as it exists today. 



Johanna Borski (1764-1846) 
Johanna Borski

Johanna Borski werd geboren in een Amsterdamse koopmansfamilie; het zakelijk talent van haar familie was ook sterk in haar vertegenwoordigd. Ze had dat inzicht hard nodig toen ze na het plotselinge overlijden van haar man Willem er alleen voor kwam te staan, met hun acht jonge kinderen. Ze besloot het bedrijf van haar man voort te zetten – niet per se ongebruikelijk voor weduwen, die zo de continuïteit voor de volgende generatie konden waarborgen. Een probleem was wel dat Johanna als vrouw de beurs alleen als toeschouwer mocht betreden en niet zelf mocht handelen; daarvoor stelde ze een vertegenwoordiger aan. Het zakelijke beheer bleef echter in handen van Johanna Borski zelf, die de firma tot haar tachtigste met ferme hand leidde. Johanna’s belang voor Nederland zit vooral in het feit dat ze koning Willem I meermaals van de financiële ondergang redde. Zo was ze onder meer nauw betrokken bij De Nederlandsche Bank, de Nederlandsche Handel-Maatschappij (voorloper van de ABN AMRO) en de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (voorloper van de NS). 


Johanna Borski was born into an Amsterdam merchant family and inherited its considerable business acumen. She needed every bit of it after the sudden death of her husband Willem, left her to fend for herself with their eight young children. She decided to carry on her husband’s business – not unusual for widows of the time, since it safeguarded continuity for the next generation. One obstacle, however, was that as a woman Johanna was only permitted to enter the stock exchange as an observer and could not trade herself; for that she appointed a representative. Actual management of the firm, though, stayed firmly in Johanna Borski’s own hands, and she ran it with a steady grip until she was eighty. Johanna’s importance to the Netherlands lies chiefly in the fact that she saved King William I from financial ruin on several occasions. Among other things, she was closely involved with De Nederlandsche Bank, the Nederlandsche Handel-Maatschappij (a forerunner of ABN AMRO) and the Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (a forerunner of the Dutch railways, NS). 



Elisabeth Samson is de bekendste van alle succesvolle en welvarende vrouwen uit de Surinaamse geschiedenis. Haar moeder werd kort voor Elisabeths geboorte vrijgekocht door haar oudere kinderen, waardoor deze jongste dochter in vrijheid werd geboren. Elisabeth groeide op in het huishouden van haar zus en zwager, die nauw contact onderhielden met de witte elite. Daar werd ze onderwezen in lezen, schrijven en rekenen, en leerde ze het zakenleven van nabij kennen door mee te werken in de handelsmaatschappij van haar zwager. Ze bleek zelf ook een uitstekende zakenvrouw en kwam in het bezit van vastgoed en meerdere plantages. In Suriname heeft Elisabeth een belangrijke maar controversiële positie. Ze verwierf haar rijkdom op eigen kracht en trouwde met een witte man – ongehoord in achttiende-eeuws Suriname, waar een strenge scheiding tussen zwart en wit bestond. Wat haar vooral omstreden maakt, is dat ze zelf tot slaaf gemaakten bezat, al behandelde ze hen volgens schrijfster en Elisabeth Samson-kenner Cynthia McLeod beter dan witte slaveneigenaren dat deden. 


Elisabeth Samson is the best known of all the successful, wealthy women in Surinamese history. Her mother was bought free by her older children shortly before Elisabeth’s birth, meaning this youngest daughter was born free. Elisabeth grew up in the household of her sister and brother-in-law, who had close ties to the white elite. There she was taught to read, write and do arithmetic, and gained a close working knowledge of commerce through her brother-in-law’s trading company. She proved an excellent businesswoman in her own right, coming to own property and several plantations. In Suriname, Elisabeth holds an important but controversial place. She built her wealth through her own efforts and married a white man – unheard of in eighteenth-century Suriname, where a strict separation between black and white was enforced. What makes her most controversial, however, is that she herself owned enslaved people, although, according to writer and Elisabeth Samson expert Cynthia McLeod, she treated them better than white slaveholders typically did. 



Tjoet Nja Diën (ca. 1850-1908) 
Tjoet Nja Diën

‘We hebben haar!’, werd geroepen toen het Nederlandse leger Tjoet Nja Diën in 1905 gevangennam. Door reuma en staar was Diën toen nog maar een schim van de geduchte Atjehse verzetsstrijdster die zo hoog op de arrestatielijst van het KNIL stond. 

In 1873 veroverden Nederlandse troepen het Sumatraanse Banda Atjeh. Meerdere familieleden van de adellijke Diën verzetten zich actief tegen het Nederlands-Indische leger; haar eerste echtgenoot sneuvelde daarbij. Ook haar tweede man kwam om tijdens de opstand tegen de Hollanders. In de Indische pers werd ondertussen gesuggereerd dat Diën de opstand financierde en zelf ook de wapens ter hand had genomen. Zo zou ze het bevel hebben gehad over zo’n tweehonderd vertrouwelingen, met wie ze vanuit de bergen een guerrillaoorlog tegen de gehate Hollanders voerde. De Indische journalist C. van der Pol omschreef hoe Diën in de bergen troonde als een ‘woudkoningin, daar een gezag uitoefenend zoals in de laatste twee eeuwen geen sultan […] bezat’. Overigens was het in de matrilineaire samenleving van Atjeh geen uitzondering dat een vrouw de leiding had. Diëns gevangenneming maakte geen einde aan het verzet in Atjeh, maar ze was wel een belangrijk symbool in de strijd. In 1964 werd ze uitgeroepen tot nationale heldin van Indonesië. 


‘We’ve got her!’ came the cry when the Dutch army finally captured Cut Nyak Dhien in 1905. Weakened by rheumatism and failing eyesight, Dhien was by then only a shadow of the formidable Acehnese resistance fighter who had once topped the KNIL’s (Royal Netherlands East Indies Army) most-wanted list. In 1873 Dutch troops conquered Banda Aceh, on Sumatra. Several members of the noble Dhien family took up active resistance against the Dutch East Indies army; her first husband was killed in the fighting. Her second husband, too, died during the uprising against the Dutch. Meanwhile, the colonial press suggested that Dhien financed the resistance and had even taken up arms herself, reportedly commanding some two hundred loyal followers in a guerrilla war against the hated Dutch, waged from the mountains. Colonial journalist C. van der Pol described how Dhien reigned in the mountains like a ‘forest queen, wielding an authority such as no sultan […] has held in the last two centuries.’ In fact, in Aceh’s matrilineal society it was not unusual for a woman to hold command. Dhien’s capture did not end the resistance in Aceh, but she remained an important symbol of the struggle. In 1964 she was declared a national heroine of Indonesia. 


 

kartini
Kartini

11. Kartini (1879-1904) 

Een andere belangrijke vrouw uit de geschiedenis van Nederlands-Indië is Raden Adjeng Kartini, of, zoals ze zelf zei: ‘Noem mij maar Kartini – zo heet ik.’ Ze is bekend van haar brieven, waarin ze schrijft over vrouwenemancipatie en kolonialisme. Kartini leefde in Nederlands-Indië en beschreef in haar anekdotes hoe de Nederlanders de Javaanse bevolking destijds klein hielden. Ze stelde niet alleen de onderdrukking door de koloniale overheerser aan de kaak, maar bekritiseerde ook de strenge Javaanse etiquette waarmee ze als vrouw te maken had. In haar brieven verzette ze zich tegen het idee dat een vrouw niet mocht studeren, werken of vriendschappelijke relaties mocht aangaan. Anders dan haar tijdgenote Diën liet Kartini het vooral bij woorden: zelf ging ze niet studeren en werd ze uitgehuwelijkt in een polygaam huwelijk. Dat haar daden en woorden niet altijd met elkaar strookten, leverde haar ook kritiek op. Toch blijft het belang van haar scherpzinnige brieven overeind: wat ze schreef, vond weerklank en zorgde er daadwerkelijk voor dat de publieke opinie over het Javaanse vrouwbeeld en de kolonisatie veranderde. Ze zorgde ervoor dat het verhaal van de overheerste klonk, in plaats van dat van de overheerser. 


Another important woman from the history of the Dutch East Indies is Raden Adjeng Kartini, or, as she herself put it: ‘Just call me Kartini – that’s my name.’ She is known for her letters, in which she wrote about women’s emancipation and colonialism. Kartini lived in the Dutch East Indies and described, in vivid anecdotes, how the Dutch kept the Javanese population subjugated at the time. She exposed not only the oppression of the colonial ruler but also the strict Javanese etiquette she herself faced as a woman. In her letters she pushed back against the idea that a woman should not be allowed to study, work, or form friendships freely. Unlike her contemporary Dhien, Kartini largely stopped at words: she herself never went on to study and was married off into a polygamous marriage. That her actions did not always match her words drew criticism at the time. Even so, the significance of her sharp, perceptive letters remains undiminished: what she wrote struck a chord and genuinely helped shift public opinion on both the image of Javanese women and on colonisation itself. She made sure the voice of the colonised was heard, rather than only that of the coloniser. 



Koningin Wilhelmina
Koningin Wilhelmina

Prinses Wilhelmina werd geboren als dochter van koning Willem III en diens tweede vrouw, koningin Emma. Haar vader was bijna tweeënzestig, haar moeder twintig jaar oud. Ze bleef de enige erfopvolger en werd van jongs af aan klaargestoomd voor het koningschap; haar inhuldiging – zodra ze achttien werd – stond immers al vast. 

Een halve eeuw zat Wilhelmina op de troon; beide wereldoorlogen vielen in deze periode. Hierdoor verwierf ze al snel de naam ‘soldatenkoningin’: ze vond dat de oorlog krachtig leiderschap vroeg, bemoeide zich tot op het hoogste niveau met de landsverdediging en bezocht regelmatig de troepen. De Tweede Wereldoorlog bracht ze grotendeels in ballingschap door: kort na de Duitse inval, rond de capitulatie van België en de gevangenneming van de Belgische koning Leopold III, vluchtte ze naar Engeland. Via het nieuwe medium van de radio sprak ze haar landgenoten onverminderd moed in en was ze een toonbeeld van volharding en verzet. 


Princess Wilhelmina was born the daughter of King William III and his second wife, Queen Emma. Her father was nearly sixty-two, her mother just twenty. As his only heir, she was groomed for the throne from childhood; her inauguration – due the moment she turned eighteen – was, after all, already a foregone conclusion. Wilhelmina sat on the throne for half a century, a period spanning both World Wars, which earned her the nickname ‘soldier queen’: she believed the war demanded strong leadership and involved herself at the highest level in national defence, regularly visiting the troops. She spent much of the Second World War in exile: shortly after the German invasion, around the time of Belgium’s capitulation and the capture of Belgian King Leopold III, she fled to England. Over the new medium of radio, she urged her fellow citizens, without fail, to stay courageous, becoming a symbol of perseverance and resistance. 


 

Hannie Schaft
Hannie Schaft

In 1943 eiste de Duitse bezetter dat Nederlandse studenten een loyaliteitsverklaring ondertekenden – een verklaring dat ze zich niet tegen de Duitsers zouden verzetten. Hannie Schaft weigerde en moest daarom stoppen met haar rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam. Op dat moment was ze al een jaar actief voor het verzet. Het begon klein, met het stelen van persoonsbewijzen ten behoeve van verzetsmensen en Joodse onderduikers. Later werden dat zeer riskante koeriersdiensten, het liquideren van helpers van de bezetter en het opblazen van een Duitse munitietrein. Anderhalve maand voor de bevrijding werd Hannie opgepakt, met in haar tas een pistool en illegale bladen. Twee weken voor de bevrijding werd ze gefusilleerd. Op 27 november 1945 werd ze, in aanwezigheid van leden van het Koninklijk Huis, bijgezet op de erebegraafplaats Bloemendaal – ze is de enige vrouw aan wie deze eer ten deel is gevallen. Hannie werd geprezen als symbool van verzet en ontving postuum het Verzetskruis, evenals een onderscheiding voor uitzonderlijke moed en verdienste. 


In 1943 the German occupier demanded that Dutch university students sign a declaration of loyalty, pledging not to resist the Germans. Hannie Schaft refused, and as a result had to abandon her law studies at the University of Amsterdam. By then she had already been active in the resistance for a year. It started small, stealing identity papers for resistance members and people in hiding, including Jews. Later this escalated into highly dangerous courier work, the assassination of collaborators, and blowing up a German munitions train. Six weeks before liberation, Hannie was arrested with a pistol and illegal newspapers in her bag. Two weeks before liberation, she was executed by firing squad. On 27 November 1945, in the presence of members of the Royal House, she was laid to rest at the Bloemendaal Field of Honour – she remains the only woman ever granted that honour. Hannie was celebrated as a symbol of resistance and posthumously received the Resistance Cross, along with a decoration for exceptional courage and merit. 

 


Mies Bouwman
Mies Bouwman

Na haar opleiding wist Mies Bouwman niet goed wat ze wilde worden – hooguit dat ze iets avontuurlijks zocht. Ze wist een baan bij de KRO te bemachtigen, en in 1951 maakte de eenentwintigjarige Mies haar tv-debuut. Daar werd ze in 1954 echter ontslagen vanwege haar relatie met de gehuwde Leen Timp – hun verhouding was voor de katholieke omroepleiding volstrekt onacceptabel. Eind jaren vijftig kon ze, inmiddels getrouwd met Timp, aan de slag bij de AVRO en later bij de VARA, en maakte ze verschillende succesvolle tv-programma’s. Haar populariteit steeg tot ongekende hoogte en ze werd de ongekroonde koningin van de televisie. 

Zoals in de Canon te lezen is (https://www.canonvannederland.nl/nl/televisie), werd de televisie vanaf 1948 steeds meer gemeengoed; rond 1970 had vrijwel elk huishouden er één. Mede dankzij de televisie – en later het internet – is de wereld een dorp geworden, met Mies als een van de eerste en meest prominente bewoners. Voor haar werk ontving ze meerdere onderscheidingen, zoals de Ere Zilveren Nipkowschijf, de Gouden Televizier-Ring en een Oeuvre Ring; bovendien werd ze benoemd tot Ridder én tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. 


After finishing school, Mies Bouwman had no clear idea what she wanted to become – only that she wanted something adventurous. She managed to land a job at the Catholic broadcaster KRO, and in 1951, at twenty-one, Mies made her television debut. In 1954, however, she was fired over her relationship with the married Leen Timp – an affair the Catholic broadcasting leadership considered entirely unacceptable. By the late 1950s, now married to Timp, she found work at broadcasters AVRO and later VARA, producing a string of successful television programmes. Her popularity soared to unprecedented heights, and she became the uncrowned queen of Dutch television. As the Canon itself notes, television became increasingly commonplace from 1948 onward; by 1970, nearly every household owned one. Thanks partly to television – and later the internet – the world became a village, with Mies as one of its earliest and most prominent residents. For her work she received numerous honours, including the Silver Nipkow Disc of Honour, the Golden Televizier Ring and an Oeuvre Ring; she was also appointed a Knight, and later an Officer, in the Order of Orange-Nassau. 



Bea Vianen
Bea Vianen

Beatrice Vianen groeide op in Suriname, in een omgeving met veel verschillende etniciteiten en religies die elkaar verachtten. Volgens Bea kwam dit door de verdeel-en-heerspolitiek van de Nederlandse kolonisten. Vanaf haar zeventiende schreef ze over haar ervaringen, en ving daarmee de etnische verdeeldheid en haar verlangen naar vrijheid. Op haar tweeëntwintigste verhuisde ze naar Nederland, maar bleef heen en weer reizen, uit heimwee én uit kritiek op beide thuislanden. Bea’s boeken werden in Suriname door duizenden studenten gelezen, maar in Nederland jarenlang over het hoofd gezien. Ze uitte kritiek op de manier waarop redacteuren met haar taalexperimenten omgingen, en op de druk om in te spelen op het Nederlandse publiek en op de kunst van de grote Nederlandse (mannelijke) auteurs. Doordat ze niet boog voor de eisen van de Nederlandse uitgever – en zelfs stelde: ‘De Nederlanders moeten mij maar begrijpen’ – biedt haar werk inzicht in de manier waarop Suriname door Nederlanders is vervormd. 


Beatrice Vianen grew up in Suriname, amid a mix of ethnicities and religions that regarded one another with contempt. According to Bea, this stemmed from the Dutch colonisers’ divide-and-rule policy. From the age of seventeen she wrote about her experiences, capturing both the ethnic divisions around her and her own longing for freedom. At twenty-two she moved to the Netherlands but kept travelling back and forth, driven by homesickness as much as by her criticism of both home countries. Bea’s books were read by thousands of students in Suriname, yet were largely overlooked in the Netherlands for years. She was outspoken about the way editors handled her linguistic experiments, and about the pressure to cater to the Dutch public and to the standards set by the great (male) Dutch authors. Because she refused to bow to her Dutch publisher’s demands – even declaring, ‘The Dutch will just have to understand me’ – her work offers insight into the way Suriname has been distorted through Dutch eyes. 


 

Bo van Versendaal is kunsthistoricus en werkzaam in de culturele sector. Ze duikt graag de archieven in en speurt naar verhalen om kunst en geschiedenis toegankelijk te maken.


Bo van Versendaal is an art historian working in the cultural sector. She enjoys diving into archives and hunting for stories to make art and history accessible.

Opmerkingen


bottom of page