“GESCHIED EN IS”
- Timothy Cator
- 11 minuten geleden
- 19 minuten om te lezen
Ons gedeelde verleden, onze gezamenlijke toekomst. Peggy Wijntuin, Keti Koti en publieke herinnering in Rotterdam

Mijn naam is Timothy Cator, ik ben 28 jaar oud en heb Surinaamse roots. Wanneer mensen mij vragen wat mijn relatie is met het slavernijverleden, vertel ik vaak hetzelfde familieverhaal: “Mijn voormoeder was een tot slaaf gemaakte vrouw uit Suriname en heette Affie Noorde, een naam die was afgeleid van Norden. Zij kreeg kinderen met haar Joodse slavenhouder Simon Norden. Later, vlak voor zijn overlijden, heeft hij die kinderen erkend onder de naam Norden. Zo is een deel van mijn familie ontstaan en behoort de naam Norden tot mijn moeders kant van de familie.” Zo heb ik jarenlang mijn familiegeschiedenis uitgelegd aan geïnteresseerden. In die uitleg vat ik mijn band met het slavernijverleden vaak samen in een paar zinnen. Ik ben de nakomeling van een tot slaaf gemaakte vrouw en een slavenhouder die een ‘relatie’ hadden. Vanuit dat persoonlijke verhaal voelde de uitnodiging om voor het Historical Women Project over Keti Koti te schrijven als een bijzondere verantwoordelijkheid. Ik kreeg de vraag om daarbij een vrouw centraal te stellen. Als jonge queer man van kleur en historicus voelde ik mij vereerd om dat te mogen doen. Juist daarom wil ik dit verhaal met zorg vertellen.
Keti Koti op 1 juli markeert de officiële afschaffing van de slavernij door Nederland in 1863. Toch betekende die datum voor de ‘vrijgemaakten’ in Suriname nog niet direct volledige vrijheid. Na 1863 volgde nog tien jaar staatstoezicht, waardoor veel ‘vrijgemaakten’ op de plantages moesten blijven werken. Pas in 1873 kwam daar een einde aan. Na de afschaffing werden niet de ‘vrijgemaakten’, maar juist de slavenhouders financieel gecompenseerd door de Nederlandse staat. De mensen die uit slavernij vrijkwamen, ontvingen zelf niets. Keti Koti is daarom een dag van viering én herdenking. In Suriname is het een jaarlijks terugkerende feestdag en ook in Nederland wordt deze dag herdacht en gevierd. Tegelijk laat de bredere Caribische context zien dat vrijheid en emancipatie op meerdere plekken hun eigen herdenkingsdagen en tradities kennen.

Hoe verschillend die vormen van herdenken ook zijn, ze maken allemaal duidelijk hoe belangrijk het is dat dit verleden ook lokaal voelbaar en zichtbaar blijft. Voor mij is Keti Koti daarom altijd verbonden geweest met het Slavernijmonument Rotterdam aan de Lloydkade. Het is een plek die ruimte biedt om in mijn eigen stad stil te staan bij het slavernijverleden. Het monument staat er sinds 2013 en is het eerste lokale herdenkingsmonument voor het slavernijverleden in Nederland. Lange tijd wist ik niet wie dit monument mogelijk had gemaakt, totdat mijn tante Nadia mij op de naam Peggy Wijntuin wees. Zij gaf mij de tip om meer over haar te leren en haar verhaal verder te onderzoeken. Erkenning geven aan een zwarte vrouw, die zich heeft ingezet voor Keti Koti en het slavernijverleden en nog leeft, is eigenlijk het mooiste wat ik als historicus kon vragen.
Peggy Wijntuin is oud-gemeenteraadslid van Rotterdam en heeft zich jarenlang ingezet voor de erkenning van het slavernijverleden in de stad Rotterdam. Als initiatiefnemer van het Slavernijmonument Rotterdam en aanjager van het eerste onderzoek naar het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam heeft zij een belangrijke bijdrage geleverd aan de Rotterdamse herinneringscultuur.
Ik heb mevrouw Wijntuin via LinkedIn gecontacteerd en gevraagd of ik haar een aantal vragen mocht stellen voor mijn artikel. Ze stemde toe en ik had de eer om haar met haar in gesprek te gaan. We spraken af in ons geliefde Rotterdam. Ik wilde tijdens het gesprek meer horen over de levensloop van mevrouw Wijntuin en beter begrijpen wat haar drijft in het werk dat zij doet. Al snel werd mij duidelijk dat Peggy Wijntuin voor Rotterdam veel meer heeft betekend dan alleen de totstandkoming van het slavernijmonument. Natuurlijk is dat monument belangrijk, maar in haar verhaal werd duidelijk dat haar inzet daar niet ophoudt. Voor haar gaat het om geschiedenis die niet afgesloten is, maar doorwerkt in het heden. Ze maakte daar een mooie opmerking over, waarbij ze het woord geschiedenis uit elkaar trok in “geschied en is”. Juist dat bleef bij mij hangen. Het verleden is niet voorbij, maar werkt door in het nu, in hoe mensen leven, in hoe mensen zich tot elkaar verhouden en in hoe een stad met haar verleden omgaat.
Wat mij raakte, is hoe persoonlijk en tegelijk maatschappelijk haar verhaal is. Ze sprak over racisme en over de dikke huid die zij in de loop der jaren heeft moeten ontwikkelen. “Je moet een olifantenhuid hebben,” zei ze. Dat beeld bleef hangen, omdat dat veelzeggend is. Het zegt namelijk iets over weerstand, over volhouden, maar ook over de prijs die betrokkenheid soms vraagt. Toch sprak ze daar niet verbitterd over. Juist niet. Ze bleef benadrukken dat zij haar inzet ziet als een continue opdracht: “Ik ben het schatplichtig aan mijn dochters en kleinzoon en daarmee aan de jongere generaties.” Dat doorgeven kwam steeds terug in haar verhaal. Niet alleen herinneren, maar doorgeven. Niet alleen benoemen, maar ook ruimte maken.
Daarmee kwam ook een andere mooie lijn in het gesprek naar voren. Mevrouw Wijntuin positioneert zichzelf niet als iemand die alles alleen heeft gedaan. Ze sprak juist over de vrouwen voor haar, haar voormoeders, die haar ruimte en kracht hebben gegeven om te vliegen.
“Ik heb ruimte gekregen van de vrouwen die mij voorgingen, en die ruimte wil ik ook doorgeven.”
Dat vond ik sterk, omdat het haar verhaal meteen in een langere lijn zet. Zij heeft ruimte gekregen en wil op haar beurt weer ruimte maken voor haar nageslacht. Het deed mij denken aan een belangrijk historisch fenomeen dat Karwan Fatah-Black laat zien: veel van de eerste vrije Afro-Surinamers verwierven hun positie niet alleen via manumissie (vrijlating), maar ook door de economische en sociale strategieën van vrouwen die in de stad werkten, bezit opbouwden, familieleden vrijkochten en netwerken creëerden. Deze vrouwen vormden vaak de basis van families die later een belangrijke rol speelden binnen de vrije Afro-Surinaamse gemeenschap.1
Een ander belangrijk punt uit het gesprek was haar organiserende en verbindende kracht. Uit haar verhaal bleek hoe zij steeds weer de verschillende gemeenschapen en de politiek met elkaar wist te verbinden. Zij zag dat er een behoefte was, bracht mensen bij elkaar, zocht contact, organiseerde draagvlak en wist tegelijk ook toegang te krijgen tot de politieke wereld. Dat maakt haar rol bijzonder. Zij bewoog zich niet alleen binnen de politiek, maar ook als een burger van de stad Rotterdam. Juist die combinatie lijkt belangrijk te zijn geweest in de totstandkoming van het monument. Het begon niet bovenin, maar werd stap voor stap gedragen en opgebouwd. Dat zij vanuit de Surinaamse gemeenschap ook de titel Beschermvrouw van Keti Koti kreeg, is dan ook veelzeggend.
Dat zegt ook iets over de bredere betekenis van haar werk. Mevrouw Wijntuin heeft zich niet alleen hard gemaakt voor een monument, maar voor een plek in de stad waar een geschiedenis zichtbaar en voelbaar wordt. Het gaat om publieke herinnering. Om de vraag wie er in een stad herdacht worden, welke verhalen zichtbaar zijn en wie zich verantwoordelijk voelt om die verhalen levend te houden. In die zin is haar inzet ook breder dan Keti Koti alleen.
“Het is niet alleen hun verleden, het is ons gedeelde verleden en onze gezamenlijke toekomst.”
Juist die gedachte liep als een rode draad door ons gesprek. Het slavernijverleden moet niet ergens aan de rand blijven staan, maar onderdeel worden van hoe Rotterdam zichzelf begrijpt.
Mevrouw Wijntuin haar rol rond het monument werd door het gesprek veel rijker voor mij. Ik zag eerst vooral het resultaat, het monument als tastbaar eindpunt. Maar in haar verhaal werd duidelijk dat het monument juist geen eindpunt is.
“Het monument mocht geen dood voorwerp worden, het moest gaan leven.”
Het moest onderdeel worden van de stad, van de wijk en moest onderdeel worden van de herinneringscultuur. Dat werd heel mooi zichtbaar in het verhaal dat zij vertelde over het jubileumjaar van de afschaffing van de slavernij, toen de vier mensfiguren op het monument werden weggehaald om schoongemaakt te worden. De omwonende waren hiervan niet op de hoogte en trokken vrijwel meteen aan de bel via de politie en via de krant. Dat moment maakte haar blij, zei mevrouw Wijntuin, omdat het liet zien dat het monument inmiddels echt onderdeel van de omgeving was geworden. Niet alleen voor de mensen die er bewust mee bezig zijn, maar ook voor de buurt zelf.
Tijdens de realisatie van het Slavernijmonument Rotterdam zag mevrouw Wijntuin niet alleen veel enthousiasme, maar ook felle tegenstand en mensen die nauwelijks bekend waren met het slavernij- en koloniale verleden. Juist die ervaringen maakten voor haar duidelijk hoe groot de onwetendheid over dit onderwerp nog was. Dat leek zij ook goed te begrijpen. Precies daarom is bewustwording voor haar zo belangrijk. Het monument moest niet alleen een symbool zijn, maar ook een aanleiding om meer te weten, om te leren en om vragen te stellen. In dat opzicht was haar inzet ook pionierend. Die ervaringen waren voor haar aanleiding om als gemeenteraadslid het initiatief te nemen voor een onderzoek naar het koloniale verleden en de slavernijgeschiedenis van Rotterdam. Dat was destijds bijzonder en in sommige opzichten zelfs uniek. Rotterdam was zowel met het lokale monument als met dit onderzoek de eerste Nederlandse stad. Peggy Wijntuin stond daarmee niet alleen aan de basis van een monument, maar ook van een bredere beweging van onderzoek, erkenning en dialoog.
Aan het einde van ons gesprek maakte mevrouw Wijntuin nog één keer duidelijk waar het voor haar uiteindelijk om draait.
“Het verhaal stopt niet bij één dag.”
Keti Koti is volgens haar veel meer dan alleen 1 juli. Het is een moment waarop we stilstaan bij het verleden, maar ook nadenken over wat dat verleden vandaag nog betekent. Daarmee sloot zij aan bij haar eerdere woorden over “geschied en is”. Geschiedenis is niet alleen iets wat is gebeurd, maar iets wat nog altijd doorwerkt.

Misschien vat één uitspraak van Peggy Wijntuin die gedachte nog wel het mooiste samen. “Zaadjes worden nooit gelijk gezien.” Die woorden bleven mij bij. Verandering vraagt tijd. Soms zie je de opbrengst pas jaren later. Juist daarom is het belangrijk om te blijven zaaien, verhalen te blijven vertellen en ruimte te blijven maken voor de generaties die volgen.
Terugkijkend op ons gesprek bleef niet alleen het verhaal van mevrouw Wijntuin mij bij, maar ook een van de eerste vragen die zij mij stelde. Terwijl ik vooral benieuwd was naar haar verhaal, bleek zij ook oprecht geïnteresseerd in het mijne. Zij vroeg naar mijn achtergrond en naar mijn relatie met het slavernijverleden. Ik vertelde haar het verhaal dat ik al jaren vertel. Vervolgens sprak zij mij aan op mijn gebruik van het woord ‘relatie’ voor mijn voormoeder Affie Noorde en Simon Norden.
Mevrouw Wijntuin vroeg mij of ik wel met zekerheid kon spreken van een ‘relatie’. Zoals zij scherp opmerkte, is een relatie een verbintenis tussen twee vrije en gelijke mensen die allebei instemmen. De vraag is dus of ik dat in deze context wel zo kan noemen. Dat zette mij aan het denken.
Juist als historicus hebben mijn woorden en de manier waarop ik verhalen uitleg waarde. Mensen komen naar ons voor duiding en daarom moeten wij ons bewust zijn van wat onze termen oproepen en welke interpretaties daarin al besloten liggen. Na het gesprek met mevrouw Wijntuin heb ik meteen een boek gekocht dat al langer op mijn lijst stond, omdat ik mij hier verder in wil verdiepen. Dat boek is Sexuality and Slavery: Reclaiming Intimate Histories in the Americas van Daina Ramey Berry en Leslie M. Harris. Het gesprek liet mij opnieuw zien hoe belangrijk het is om zorgvuldig te spreken over de geschiedenis van zwarte vrouwen, over intimiteit onder slavernij en over het geweld dat achter zulke verhalen kan schuilgaan. Precies op dat punt betekent Keti Koti voor mij om meer dan alleen herdenken en vieren. Het is ook een moment om stil te staan bij wat tot slaafgemaakten onder slavernij hebben moeten doorstaan-fysiek, mentaal en seksueel- en om na te denken over hoe dat geweld nog altijd doorwerkt in het heden.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat Keti Koti voor mij betekent. Niet alleen stilstaan bij de afschaffing van de slavernij of het vieren van vrijheid, maar ook de bereidheid om mij los te maken van oude manieren waarop ik zelf naar mijn familiegeschiedenis heb gekeken. Ook als historicus merk ik dat ik niet klaar ben met leren. Juist op dagen als Keti Koti word ik eraan herinnerd dat geschiedenis geen vaststaand verhaal is, maar iets waar ik steeds opnieuw vragen aan moet durven stellen.
Mijn voormoeder kennen wij als Affie Noorde. Haar achternaam was een verbastering van de naam van Simon Norden. Binnen het systeem van de slavernij kreeg zij niet dezelfde achternaam, maar een afgeleide daarvan. Zelfs in haar naam zie je hoe de machtsverhoudingen van dat systeem doorwerkten. Misschien zegt dat ook iets over de manier waarop wij haar zijn blijven herinneren. Ik wil haar niet alleen blijven zien als de vrouw van een slavenhouder, als de moeder van zijn kinderen of als de verklaring voor mijn familienaam. Ik wil haar leren kennen als de vrouw die zij zelf was, ook al zal ik haar volledige verhaal misschien nooit meer kunnen achterhalen.
Voor mij ligt daarin ook de betekenis van Keti Koti. Niet alleen in het verbreken van de ketenen van de slavernij, maar ook in het durven verbreken van de ketenen van oude manieren van geschiedvertelling. Ik hoop dat wij zwarte vrouwen zoals Affie Noorde steeds vaker los durven te zien van de mannen aan wie zij in de archieven zijn verbonden. Niet alleen als iemands vrouw, moeder of bezit, maar als vrouwen met een eigen leven, een eigen stem en een eigen plaats in onze geschiedenis.
Ik wil mevrouw Wijntuin daarom bedanken voor haar tijd, haar openheid en het vertrouwen tijdens ons gesprek.
Aanbevelingen:
Karwan Fatah-Black, Eigendomsstrijd: De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname Dit is een sterk en toegankelijk boek als je meer wilt lezen over slavernij, emancipatie en de vorming van vrije Afro-Surinaamse gemeenschappen in Suriname.
Daina Ramey Berry en Leslie M. Harris, Sexuality and Slavery: Reclaiming Intimate Histories in the Americas Dit boek is vooral waardevol als je dieper wilt nadenken over intimiteit, macht, geweld en taal binnen de geschiedenis van slavernij in de Amerika’s. Het helpt om preciezer te kijken naar woorden als “relatie” en naar de manier waarop historici zulke beladen geschiedenissen beschrijven.
Bronnen:
Fatah-Black, Karwan. Eigendomsstrijd: De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname. Ambo| Anthos, 2018.
Berry, Daina Ramey, and Leslie Maria Harris, eds. Sexuality and slavery: Reclaiming intimate histories in the Americas. University of Georgia Press, 2018.

Timothy Cator is historicus en coördinator Erfgoedprogramma’s bij de KB | Nationale Bibliotheek. Hij coördineert het digitaliseringstraject Slavernijverleden Digitaal en zet zich in voor een meerstemmige en inclusieve geschiedschrijving van het Nederlandse slavernijverleden en de doorwerking daarvan.
- ENGLISH BELOW -

My name is Timothy Cator. I am 28 years old and have Surinamese roots. When people ask me about my connection to the history of slavery, I often share the same family story: “My great-grandmother was an enslaved woman from Suriname named Affie Noorde, a name derived from Norden. She had children with her Jewish enslaver, Simon Norden. Later, just before his death, he acknowledged those children under the name Norden. This is how part of my family came to be, and the name Norden belongs to my mother’s side of the family.” For years, I’ve explained my family history to those interested in just a few sentences. In that explanation, I often summarize my connection to the history of slavery as follows: I am the descendant of an enslaved woman and an enslaver who had a ‘relationship.’ When I was invited to write about Keti Koti for the Historical Women Project, with a focus on a woman, it felt like a special responsibility. As a young queer man of color and a historian, I felt honored to take on this task. That’s why I want to tell this story with care.
Keti Koti on July 1st marks the official abolition of slavery by the Netherlands in 1863. Yet, for the emancipated people in Suriname, this date did not immediately mean full freedom. After 1863, there followed ten years of state supervision, during which many emancipated people had to continue working on the plantations. It wasn’t until 1873 that this period ended. After abolition, it was not the emancipated people but the enslavers who received financial compensation from the Dutch state. Those who were freed from slavery received nothing. That’s why Keti Koti is both a day of celebration and remembrance. In Suriname, it is an annual public holiday, and in the Netherlands, it is also commemorated and celebrated. At the same time, the broader Caribbean context shows that freedom and emancipation are marked by their own days of remembrance and traditions in various places.

No matter how different these forms of remembrance may be, they all emphasize the importance of keeping this history tangible and visible locally. For me, Keti Koti has always been connected to the Slavery Monument in Rotterdam at the Lloydkade. It is a place that offers space to reflect on the history of slavery in my own city. The monument has stood there since 2013 and is the first local monument in the Netherlands dedicated to the history of slavery. For a long time, I didn’t know who had made this monument possible, until my aunt Nadia pointed me to the name Peggy Wijntuin. She gave me the tip to learn more about her and to further explore her story. Recognizing a Black woman who has dedicated herself to Keti Koti and the history of slavery and who is still alive, is perhaps the most beautiful thing I could ask for as a historian.
Peggy Wijntuin is a former city council member of Rotterdam and has worked for years to gain recognition for the history of slavery in the city. As the initiator of the Slavery Monument Rotterdam and a driving force behind the first research into Rotterdam’s colonial and slavery past, she has made a significant contribution to the city’s culture of remembrance.
I contacted Mrs. Wijntuin via LinkedIn and asked if I could interview her for my article. She agreed, and I had the honor of speaking with her. We met in our beloved Rotterdam. During the conversation, I wanted to learn more about her life and better understand what drives her in the work she does. It quickly became clear to me that Peggy Wijntuin has meant much more to Rotterdam than just the creation of the slavery monument. Of course, the monument is important, but her story made it clear that her commitment doesn’t end there. For her, history is not something that is closed off but continues to resonate in the present. She made a beautiful observation, breaking down the word “geschiedenis” (history) into “geschied en is” (“happened and is”). That stuck with me. The past is not over; it continues to live on in the present—in how people live, how they relate to one another, and how a city deals with its past.
What struck me was how personal and yet societal her story is. She spoke about racism and the thick skin she has had to develop over the years. “You need the skin of an elephant,” she said. That image stayed with me because it says so much. It speaks of resistance, of perseverance, but also of the price that commitment sometimes demands. Yet, she didn’t speak about it with bitterness. On the contrary, she kept emphasizing that she sees her commitment as a continuous mission: “I owe it to my daughters and grandson, and thus to the younger generations.” This idea of passing things on kept recurring in her story. Not just remembering, but also passing on. Not just naming, but also creating space.
This led to another beautiful thread in our conversation. Mrs. Wijntuin does not position herself as someone who has done everything alone. Instead, she spoke about the women who came before her, her foremothers, who gave her the space and strength to fly.
“I was given space by the women who came before me, and I want to pass that space on.”
I found this powerful because it immediately places her story within a longer lineage. She was given space and, in turn, wants to create space for the generations that follow. It reminded me of an important historical phenomenon highlighted by Karwan Fatah-Black: many of the first free Afro-Surinamese people gained their position not only through manumission (emancipation) but also through the economic and social strategies of women who worked in the city, built up property, bought the freedom of family members, and created networks. These women often formed the foundation of families that later played important roles within the free Afro-Surinese community.
Another important point from our conversation was her organizing and connecting power. Her story showed how she repeatedly managed to connect different communities and politics. She saw a need, brought people together, made contact, organized support, and at the same time gained access to the political world. That makes her role special. She moved not only within politics but also as a citizen of the city of Rotterdam. It was precisely this combination that seemed important in the creation of the monument. It didn’t start at the top but was carried and built step by step. The fact that she also received the title of Protector of Keti Koti from the Surinamese community is telling.
This also says something about the broader significance of her work. Ms. Wijntuin did not only work hard for a monument but for a place in the city where history becomes visible and tangible. It’s about public memory. About the question of who is commemorated in a city, which stories are visible, and who feels responsible for keeping those stories alive. In that sense, her commitment goes beyond Keti Koti alone.
“It’s not just their past; it’s our shared past and our shared future.”
That thought ran like a red thread through our conversation. The history of slavery should not remain on the margins but should become part of how Rotterdam understands itself.
Through our conversation, Mrs. Wijntuin’s role around the monument became much richer for me. At first, I mainly saw the result: the monument as a tangible endpoint. But in her story, it became clear that the monument is not an endpoint at all. “The monument was not allowed to become a dead object; it had to come to life,” she said. It had to become part of the city, the neighborhood, and the culture of remembrance. This became beautifully visible in the story she told about the anniversary year of the abolition of slavery, when the four human figures on the monument were removed for cleaning. The local residents were not aware of this and immediately raised the alarm through the police and the press. That moment made Mrs. Wijntuin happy, she said, because it showed that the monument had truly become part of the environment, not just for those who consciously engage with it, but also for the neighborhood itself.
During the realization of the Slavery Monument Rotterdam, Mrs. Wijntuin encountered not only enthusiasm but also fierce opposition and people who were barely familiar with the history of slavery and colonialism. These experiences made it clear to her how great the ignorance on this subject still was. That’s precisely why raising awareness is so important to her. The monument was not only meant to be a symbol but also a catalyst for learning more, for asking questions, and for starting conversations. In that sense, her commitment was pioneering. These experiences prompted her, as a city council member, to initiate research into Rotterdam’s colonial past and history of slavery. At the time, this was special and, in some ways, unique. Rotterdam was the first Dutch city to have both a local monument and this kind of research. Peggy Wijntuin thus laid the foundation not only for a monument but also for a broader movement of research, recognition, and dialogue.
At the end of our conversation, Mrs. Wijntuin made it clear once again what it’s all about for her:
“The story doesn’t end with one day.”
Keti Koti, according to her, is much more than just July 1st. It is a moment when we reflect on the past but also consider what that past still means today. In doing so, she connected back to her earlier words about “geschied en is” (happened and is). History is not just something that happened; it is something that continues to resonate.

Perhaps one of Mrs. Wijntuin’s statements captures this thought most beautifully: “Seeds are never seen equally.” Those words stayed with me. Change takes time. Sometimes you only see the results years later. That’s why it’s important to keep sowing, to keep telling stories, and to keep creating space for the generations that follow.
Looking back on our conversation, not only did Mrs. Wijntuin’s story stay with me, but also one of the first questions she asked me. While I was mainly curious about her story, she was genuinely interested in mine. She asked about my background and my connection to the history of slavery. I told her the story I’ve been telling for years. Then, she challenged me on my use of the word “relationship” for my great-grandmother Affie Noorde and Simon Norden.
Ms. Wijntuin asked me if I could truly speak of a “relationship.” As she sharply pointed out, a relationship is a bond between two free and equal people who both consent. The question is whether I can use that term in this context. That made me think.
As a historian, my words and the way I explain stories carry weight. People come to us for interpretation, and that’s why we must be aware of what our terms evoke and what interpretations they already contain. After my conversation with Ms. Wijntuin, I immediately bought a book that had been on my list for a while because I wanted to delve deeper into this. That book is Sexuality and Slavery: Reclaiming Intimate Histories in the Americas by Daina Ramey Berry and Leslie M. Harris. The conversation reminded me once again how important it is to speak carefully about the history of Black women, about intimacy under slavery, and about the violence that can lie hidden behind such stories. Precisely on this point, Keti Koti means more to me than just remembrance and celebration. It is also a moment to reflect on what enslaved people had to endure under slavery, physically, mentally, and sexually and to consider how that violence continues to resonate in the present.
Perhaps that is ultimately what Keti Koti means to me. Not just reflecting on the abolition of slavery or celebrating freedom, but also being willing to let go of old ways in which I myself have looked at my family history. Even as a historian, I realize that I am not done learning. On days like Keti Koti, I am reminded that history is not a fixed story but something I must continue to dare to question.
My great-grandmother is known to us as Affie Noorde. Her surname was a corruption of Simon Norden’s name. Within the system of slavery, she did not receive the same surname but a derived version of it. Even in her name, you can see how the power dynamics of that system continued to operate. Perhaps that also says something about the way we continue to remember her. I don’t want to see her only as the woman of an enslaver, as the mother of his children, or as the explanation for my family name. I want to get to know her as the woman she was, even if I may never be able to uncover her full story.
For me, that is also the meaning of Keti Koti. Not just in breaking the chains of slavery, but also in daring to break the chains of old ways of storytelling. I hope that we will increasingly dare to see Black women like Affie Noorde separately from the men to whom they are connected in the archives, not just as someone’s wife, mother, or property, but as women with their own lives, their own voices, and their own place in our history.
I would therefore like to thank Ms. Wijntuin for her time, her openness, and the trust she placed in me during our conversation.
Recommedations:
Karwan Fatah-Black, Eigendomsstrijd: De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname This is a compelling and accessible book if you want to read more about slavery, emancipation, and the formation of free Afro-Surinamese communities in Suriname.
Daina Ramey Berry en Leslie M. Harris, Sexuality and Slavery: Reclaiming Intimate Histories in the Americas This book is particularly valuable if you want to reflect more deeply on intimacy, power, violence, and language within the history of slavery in the Americas. It helps you take a closer look at words like “relationship” and at the way historians describe such fraught histories.
Sources:
Fatah-Black, Karwan. Eigendomsstrijd: De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname. Ambo| Anthos, 2018.
Berry, Daina Ramey, and Leslie Maria Harris, eds. Sexuality and slavery: Reclaiming intimate histories in the Americas. University of Georgia Press, 2018.

Timothy Cator is a historian and coordinator of Heritage Programs at the KB | National Library. He coordinates a digitization project of sources on slavery and is committed to a multifaceted and inclusive historical narrative of the Netherlands’ history of slavery and its lasting impact.
