VIJFMAAL VRIJHEID
- Historical Women Project

- 5 mei
- 18 minuten om te lezen

Ter gelegenheid van de Dodenherdenking op 4 mei en Nationale Bevrijdingsdag op 5 mei, staat het Historical Women Project stil bij 5 vrouwen die slachtoffer zijn geworden van oorlog, die zich hebben verzet tegen onderdrukking, die gestreden hebben voor vrijheid of die de wereld gewoonweg een beetje beter hebben gemaakt.
To mark Remembrance Day on May 4 and National Liberation Day on May 5 in the Netherlands, the Historical Women Project highlights five women who became victims of war, resisted oppression, fought for freedom, or simply made the world a better place.
Lina Ben Mhenni: Vrouwenstrijder in de Arabische Lente
De strijd voor vrijheid kent vele vormen. De Arabische Lente bracht massale opstanden tegen onderdrukking, machtsconcentratie en ongelijkheid. Maar binnen deze strijd voltrok zich nog een strijd: de strijd van de vrouwen die dezelfde rechten voor ogen hadden, maar werden betast, beschimpt en behandeld als minder. Vrijheid wordt zelden gelijktijdig bevochten. Vaak wordt zij eerst door mannen opgeëist en dan pas door vrouwen. Lina Ben Mhenni (1983-2020) streed voor beide.
Met haar blog, A Tunisian Girl (بنيّة تونسية ), groeide zij uit tot een belangrijke informatiebron voor wat er gebeurde tijdens de revolutie. Ze documenteerde en schreef over mensenrechtenschendingen en gaf tegelijkertijd een stem aan vrouwenrechten in een moeilijke tijd. Hoewel er een dictator omver moest worden geworpen, liepen vrouwen die op straat demonstreerden het risico te worden betast, of toegebeten te worden dat zij 'terug moesten naar hun keukens.' Met gevaar voor haar eigen leven bekritiseerde Lina Ben Mhenni dit openlijk. Zij ging zowel op straat als op haar blog de barricades op.
Zelfs na haar dood bleef haar gelijkheidsstrijd spreken. Tijdens haar begrafenis werd haar kist niet door mannen gedragen, zoals gebruikelijk in Tunesië, maar door vrouwen. Met dit gebaar doorbrak Ben Mhenni postuum de plek van de man in de maatschappij. De vrouw nam op haar begrafenis de plek in die haar doorgaans wordt ontzegd. Zo werd het lichaam, haar vrouwenlichaam, zelfs in haar dood een ultieme daad van verzet. Lina Ben Mhenni was ondanks haar ziekte, waardoor zij op jonge leeftijd kwam te overlijden, onvermoeibaar en wakkerde een vuur aan wat tot op heden blijft branden.
The struggle for freedom takes many forms. The Arab Spring brought mass uprisings against oppression, concentration of power, and inequality. But within this struggle, another struggle unfolded: that of women who sought the same rights, yet were groped, insulted, and treated as inferior. Freedom is rarely fought for simultaneously. Often, it is first claimed by men, and only afterward by women. Lina Ben Mhenni (1983–2020) fought for both.
Through her blog, A Tunisian Girl (بنيّة تونسية), she became an important source of information about what was happening during the revolution. She documented and wrote about human rights violations while also giving a voice to women’s rights in a difficult time. Although a dictator had to be overthrown, women who demonstrated in the streets risked being harassed or told to “go back to their kitchens.” At great risk to her own life, Lina Ben Mhenni openly criticized this. She took to the barricades both in the streets and on her blog.
Even after her death, her fight for equality continued to resonate. At her funeral, her coffin was not carried by men, as is customary in Tunisia, but by women. With this gesture, Ben Mhenni posthumously challenged the traditional place of men in society. At her funeral, women took the position that is usually denied to them. In this way, her body—her female body—became, even in death, an ultimate act of resistance. Despite her illness, which led to her passing at a young age, Lina Ben Mhenni was tireless and ignited a fire that continues to burn to this day.

Lotte de Bock is Literatuur- en Religie/Islamwetenschapper. De macht van de norm en de manier waarop religie en gender elkaar beïnvloeden zijn de velden waarbinnen zij schrijft.
Lotte de Bock is a scholar of Literature and Religion/Islamic Studies. She writes about the power of norms and the ways in which religion and gender influence one another.
'Doe wat juist is en vrees niemand'

'Doe wat juist is en vrees niemand.' Dit was het krachtige motto van het Comité Américain pour les Régions Dévastées de France (CARD). Het CARD was een vrijwillige hulporganisatie, opgericht door Anne Morgan, de jongste dochter van de rijke bankier J.P Morgan. Zo’n 350 Amerikaanse vrouwen vertrokken onder haar leiding naar Frankrijk om de door de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte verwoestingen te helpen herstellen. Al deze vrouwen spraken Frans, hadden een rijbewijs, droegen hetzelfde militaire uniform én betaalden hun eigen kosten, zoals de voorwaarden bepaalden.
Het waren niet alleen artsen en verpleegkundigen die zich aanmeldden om te helpen. Ook was er een landschapsarchitect, die gewonde soldaten leerde om gewassen te verbouwen, en een bibliothecaresse, die (in Frankrijk nog niet bestaande) kinderbibliotheken opzette.
Ik ontdekte het verhaal van de Cards door het boek De Franse Boekenbrigade. Het boek vertelt het verhaal van de bibliothecaresse, Jesse Carson. Zij werd uitgezonden naar het Franse dorp Blérancourt, waar het hoofdkwartier van het CARD was. Dit dorp lag op slechts 65 kilometer vanaf het front, de zogenaamde rode zone - oorlogsgebied dus.
Jesse herstelde de bibliotheek in Blérancourt en vulde deze met nieuwe boeken. Daarnaast bedacht ze de mobiele bibliotheek, waarvoor een oude ambulance werd gebruikt. Met de ambulance vol boeken reed ze langs verschillende dorpen, las ze verhalen voor aan de kinderen en leende boeken uit. Zo konden zij, en hun ouders, de oorlog heel even vergeten.
Hoewel er regelmatig bommen en granaten rondom het dorp ontploften, werkten Jesse en de andere CARDs jarenlang dapper door.
“Do what is right and fear no one.” This was the powerful motto of the Comité Américain pour les Régions Dévastées de France (CARD). The CARD was a volunteer relief organization founded by Anne Morgan, the youngest daughter of the wealthy banker J.P. Morgan. Under her leadership, about 350 American women traveled to France to help rebuild the devastation caused by the First World War. All of these women spoke French, had a driver’s license, wore the same military uniform, and paid their own expenses, as required.
It wasn’t only doctors and nurses who volunteered to help. There was also a landscape architect who taught wounded soldiers how to grow crops, and a librarian who established children’s libraries (which did not yet exist in France). I discovered the story of the CARD through the book 'De Franse Boekenbrigade' ('The French Book Brigade'). The book tells the story of the librarian Jesse Carson. She was sent to the French village of Blérancourt, where the CARD headquarters was located. This village lay just 65 kilometers from the front, in the so-called red zone—essentially a war zone.
Jesse restored the library in Blérancourt and filled it with new books. She also came up with the idea of a mobile library, using an old ambulance. With the ambulance full of books, she traveled from village to village, read stories to children, and lent out books. In this way, they—and their parents—could forget the war for a little while. Although bombs and shells frequently exploded around the village, Jesse and the other CARD members continued their work bravely for years.

Meer weten? Lees dan zeker De Franse boekenbrigade.
Want to know more? Make sure to read 'De Franse boekenbrigade' ('The French Book Brigade

Nienke Peeters is een freelance (tekst)schrijver. Daarnaast ontwikkelt ze lesprogramma’s en educatieve content over o.a. cultureel erfgoed voor het basis- en voortgezet onderwijs.
Nienke Peeters is a freelance writer. In addition, she develops lesson plans and educational content on cultural heritage, among other topics, for primary and secondary education.

Coba Dalsheim
Met dodenherdenking denk ik altijd aan een vrouw. Ze is niet bekend, ik heb haar nooit ontmoet en ze is nooit oud geworden. Het is een goede vriendin van mijn oma en ze heette Jacoba Dalsheim.
De Joodse familie Dalsheim woonde in Borger, een paar straten verderop van het huis van mijn oma's familie, de familie Weitering. Mijn oma Hennie ging met Coba naar school en ze vierden hun verjaardagen samen. Ze heeft niet heel veel verteld over haar vriendin. Wel liet ze mij eens een metalen armbandje zien dat Coba haar had gegeven vlak voordat ze werd opgehaald en naar Westerbork werd gebracht. Ze heeft tegen mijn oma gezegd: ‘Je moet dat armbandje goed bewaren voor als ik weer terugkom.’ Het brak mijn hart om dat te horen: de valse hoop om terug te komen, de twee vriendinnen die geen vriendinnen mochten zijn. De enige keer toen ik mijn oma heb zien huilen, was toen ze het over Coba had. Ze vertelde dat Coba niet meer mee mocht doen met de gymnastieklessen en hoe erg ze dat vonden. Coba was verloofd met Simon Hoogstraal. Hij is vermoord in Sobibor in 1943. Coba was toen al overleden. Zij is in 1942 in Auschwitz vermoord. Ze is 18 jaar oud geworden. Wat er met het armbandje is gebeurd weet ik niet. Na het overlijden van mijn oma konden we het nergens vinden. Heeft ze het ergens begraven?
Onlangs las ik dat er onlangs struikelstenen voor de familie Dalsheim zijn geplaatst in Borger. Daarnaast is er recent onderzoek gedaan naar de Joodse inwoners van de gemeente Borger-Odoorn. Op de omslag van dat boek is een grote foto van haar oudere zus Lina bij de inleiding te zien, de zus die volgens mijn oma heel goed kon leren. Lina is later verpleegster geworden in Apeldoorn Het doet mij goed dat er meer mensen zijn die op 4 mei aan Coba en haar familie denken.
On Remembrance Day, I always think of a woman. She is not well known, I never met her, and she never grew old. She was a close friend of my grandmother, and her name was Jacoba Dalsheim.
The Jewish Dalsheim family lived in Borger, just a few streets away from my grandmother’s family, the Weitering family. My grandmother, Hennie, went to school with Coba, and they celebrated their birthdays together. She didn’t talk very much about her friend, but once she showed me a metal bracelet that Coba had given her just before she was taken away and brought to Westerbork. She said to my grandmother, “You must keep that bracelet safe for when I return.” It broke my heart to hear that—the false hope of coming back, the two friends who were no longer allowed to be friends. The only time I ever saw my grandmother cry was when she spoke about Coba. She told me how Coba was no longer allowed to take part in gymnastics classes, and how painful that was for them. Coba was engaged to Simon Hoogstraal. He was murdered in Sobibor in 1943. By then, Coba had already died. She was murdered in Auschwitz in 1942. She was only 18 years old. I don’t know what happened to the bracelet. After my grandmother passed away, we couldn’t find it anywhere. Did she bury it somewhere?
Recently, I read that stumbling stones have been placed in Borger for the Dalsheim family. In addition, research has recently been carried out into the Jewish residents of the municipality of Borger-Odoorn. On the cover of that book, there is a large photograph of her older sister Lina in the introduction—the sister whom my grandmother said was very bright at school. Lina later became a nurse in Apeldoorn. It comforts me to know that more people think of Coba and her family on May 4th.
Bronnen/Sources:
Dagblad van het Noorden: Struikelstenen voor weggevoerde Joodse gezinnen Stern en Dalsheim in Borger: https://dvhn.nl/drenthe/borger-odoorn/struikelstenen-voor-weggevoerde-joodse-gezinnen-stern-en-dalsheim-in-borger.-het-waren-zulke-goede-mensen-47623310.html
G.J. Dijkstra en H.J. Vos, Joodse burgers in de gemeenten Borger-Odoorn: roof (1942-1940) en rechtsherstel (na 1945), Radboud Universiteit (2024).

Sebastiaan Coops is historicus en gespecialiseerd in koloniale en wereldgeschiedenis. Hij heeft een bijzondere interesse in materiële geschiedenis en is een echte verzamelaar.
Sebastiaan Coops is a historian specializing in colonial and global history. He has a particular interest in material history and is an avid collector.

Razan al-Najjar: Een Symbool van Zorg en Verzet
Razan al-Najjar was een 20-jarige vrijwilligster bij een hulporganisatie in Gaza. Tijdens de demonstraties die in 2018 begonnen aan de grens tussen Gaza en Israël, stond zij dagenlang aan het front om gewonden te helpen. Waar ze door haar witte jas een symbool was van dapperheid en moed, stond ze ook symbool voor iets groters. Razan sprak zich met en door haar werk als vrijwilligster uit voor vrouwen. Zo vertelt Razan in een interview: “We have one goal – to save lives and educate people”.
Met “educate people” doelde Razan op het idee dat vrouwen vaak ten onrechte worden gezien als ongeschikt voor intensief of gevaarlijk werk. Ze stelde dat verpleegkundig werk niet alleen voor mannen is en dat vrouwen hiertoe net zo goed in staat zijn. Hiermee was Razan niet alleen een baken van moed in de Gazastrook, maar ook een persoon die zich krachtig uitsprak voor de positie van vrouwen in haar land.
“If they don’t want to accept us by choice, they will be forced to accept us. Because we have more strength than any man” - Razan al-Najjar
Razan trok in haar woorden en daden een standvastige lijn door zich uit te spreken voor en over vrouwen. Waar het in het Westen vaak gaat over specifieke kernpunten van vrouwenemancipatie, richtte Razan zich op de misvatting dat er een verschil in kunnen is tussen mannen en vrouwen. Als Islamitische vrouw stond zij vol wijsheid voor haar eigen visie. Waar Islamitische vrouwen in het Westen vaak enkel door het dragen van een hijab als onderdrukt worden gezien, liet Razan zien dat emancipatie niet ligt bij uiterlijke kenmerken. Emancipatie draait om het geloven in het kunnen van de vrouw en haar de ruimte geven dit in vrijheid te beoefenen.
Razan al-Najjar werd op 1 juni 2018 gedood door een Israëlische soldaat, aan de grens tussen Gaza en Israël tijdens een protest dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Op het het moment van haar overlijden bewoog zij zich, in verplegers uniform, naar een gewonde demonstrant. Razans dood op 1 juni 2018 staat symbool voor het lijden van de honderdduizenden Palestijnse slachtoffers, maar haar leven staat symbool voor hoop. Door haar te herdenken, wordt er een vorm van activisme herdacht en erkend wat zich inzet voor mensenrechten, maar ook de vooroordelen uitdaagt over wat een vrouw kan betekenen.
Bronnen/Sources:
Bella, V., & Bella, V. (2018, 5 juni). 5 Facts About Razan Al-Najjar, ‘Angel of Mercy’ Paramedic in Gaza Who Was Slain. deCODE (https://decode.uai.ac.id/5-facts-about-razan-al-najjar-angel-of-mercy-paramedic-in-gaza-who-was-slain/)
NOS Nieuws. (2018, 3 juni). Gaas en verband waren de wapens van de Palestijnse Razan. (https://nos.nl/artikel/2234912-gaas-en-verband-waren-de-wapens-van-de-palestijnse-razan)
The Palestinian Medic Killed by Israeli Soldiers. (2024, 5 februari). [Video]. The New York Times. (://www.nytimes.com/video/world/middleeast/100000005932394/palestinian-medic-killed-at-gaza-protest.html)

Isis Koppert is student Gender- en Postcolonial Studies. Zij analyseert de hedendaagse vrouwenervaring en de historische continuïteit van het feminisme.
Isis Koppert is a student of Gender and Postcolonial Studies. She analyzes contemporary women’s experiences and the historical continuity of feminism.
Meinarda van Terwisga

Soldaten laten onderduiken, distributiekantoren overvallen en hulp bieden aan geallieerde vliegtuigbemanningsleden. Wie was de vrouw die dit mogelijk maakte en opereerde onder de namen mejuffrouw Jansen, mejuffrouw De Beer of mejuffrouw van Laar?
Meinarda van Terwisga (1919-1997) richtte in 1943 de verzetsgroep 'Vrije Groep Narda' op. Ze werkte samen met haar groep, dag en nacht voor het verzet tegen de Nazi's in Nederland. De groep liet soldaten onderduiken, bezorgde distributiekaarten, overviel distributiekantoren en gaf hulp aan geallieerde vliegtuigbemanningsleden die met hun parachute in bezet gebied terechtgekomen zijn. Voor hen zorgen ze voor schuilplaatsen en vervalste persoonsbewijzen.
Van Terwisga had verschillende schuilnamen, zoals ‘mejuffrouw Jansen, mejuffrouw De Beer en mejuffrouw van Laar. Ze werkte, samen met haar groep, dag en nacht voor het verzet. Zo haalde ze ook eens, verkleed als verpleegster en met een “geleende” ambulance, een RAF-piloot op van wie de identiteit was ontdekt. De verzetsgroep wist geheime radiozenders en gedropte wapens verborgen te houden en verzamelde informatie over onder andere de vliegvelden Teuge en Delen en het spoorwegnet. Van Terwisga bracht deze gegevens zelf naar Amsterdam, terwijl anderen berichten naar Engeland verstuurden. Dankzij wapendroppings op de Veluwe beschikte de groep ook over een gewapende tak, die overvallen pleegde op distributiekantoren en sabotageacties uitvoerde. Een groot deel van de verzetsactiviteiten financierde Van Terwisga uit eigen zak. Om te voorkomen dat zij zou worden getraceerd door de Nazi's, had ze een belastinginspecteur die haar inkomsten wegschreef. Waarbij een belastinginspecteur haar hielp door haar inkomsten bewust niet te registreren.
Naast het dag en nacht bezig zijn voor het verzet, gaf ze ook nog typeles. Begin juli 1944 volgde Willem l’Ecluse, een boekhouder met verzetsverleden, typeles bij Meinarda van Terwisga. Op haar verzoek haalde hij namen van mensen die voor de dwangarbeid in aanmerking kwamen uit de administratie. Later bleek dat hij juist gevoelige informatie had opgeschreven, zoals gegevens van verzetsleden en haar pistoolnummer. Omdat hij verdacht gedrag vertoonde, vertrouwde Van Terwisga hem niet meer en liet ze hem geen klussen meer doen.
Dit was echter te laat, op 29 september verraadde hij Vrije Groep Narda aan de Sicherheitsdienst. Een dag later liep Van Terwisga in een val bij haar ouderlijk huis. De inlichtingendienst SD vond wapens en arresteerde haar en vele anderen. Kort daarna werden meerdere verzetsleden en twee geallieerde piloten geëxecuteerd.
Na haar arrestatie zat Van Terwisga eerst gevangen in Bentheim en werd daarna gedeporteerd naar verschillende concentratiekampen, waaronder Ravensbrück, waar ze zwaar werd mishandeld.
Van Terwisga overleeft de oorlog, maar komt zeer getraumatiseerd terug. Ze krijgt veel onderscheidingen zoals de Britse King’s Medal for Courage in the Cause of Freedom en de Amerikaanse onderscheiding de Medal of Freedom. Ook wordt in 2017 een straat in Apeldoorn naar haar vernoemd.
Letting soldiers go into hiding, raiding distribution offices, and assisting Allied aircrew. Who was the woman who made all this possible while operating under the names Miss Jansen, Miss De Beer, or Miss Van Laar?
Meinarda van Terwisga (1919–1997) founded the resistance group Vrije Groep Narda in 1943. Together with her group, she worked day and night in the resistance against the Nazis in the Netherlands. They helped soldiers go into hiding, distributed ration cards, carried out raids on distribution offices, and assisted Allied aircrew who had parachuted into occupied territory. They provided them with hiding places and forged identity papers.
Van Terwisga operated under several aliases, including “Miss Jansen,” “Miss De Beer,” and “Miss Van Laar.” Disguised as a nurse and using a “borrowed” ambulance, she once rescued an RAF pilot whose identity had been discovered. Her group also hid secret radio transmitters and dropped weapons, and gathered intelligence on airfields such as Teuge and Deelen, as well as the railway network. Van Terwisga personally transported this information to Amsterdam, while others relayed messages to England.
Thanks to weapons drops in the Veluwe region, the group also had an armed branch that carried out raids and acts of sabotage. Much of the resistance work was financed by Van Terwisga herself. To avoid detection by the Nazis, a tax inspector even helped conceal her income by deliberately not recording it.
Alongside her resistance work, she also gave typing lessons. In July 1944, Willem l’Ecluse, an accountant with a resistance background, attended her classes. At her request, he removed names of people eligible for forced labor from administrative records. However, he later recorded sensitive information, including details about resistance members and her pistol registration number. When his behavior became suspicious, Van Terwisga no longer trusted him and excluded him from further activities.
But it was too late. On September 29, he betrayed Vrije Groep Narda to the Sicherheitsdienst. The following day, Van Terwisga was trapped at her parental home. The SD discovered weapons and arrested her and many others. Shortly afterward, several resistance members and two Allied pilots were executed.
After her arrest, Van Terwisga was first imprisoned in Bentheim and later deported to several concentration camps, including Ravensbrück, where she was severely mistreated.
\
She survived the war but returned deeply traumatized. She received numerous honors, including the British King’s Medal for Courage in the Cause of Freedom and the American Medal of Freedom. In 2017, a street in Apeldoorn was named after her.

Anne Lautenschütz is erfgoedprofessional. Ze studeerde aan de Reinwardt Academie en richt zich op het zichtbaar maken van vrouwelijke makers en vrouwen uit de geschiedenis.
Anne Lautenschütz is a heritage professional. She studied at the Reinwardt Academy and focuses on making female makers and women from history more visible.
Zabel Yesayan

Ik heb altijd een moeilijke relatie gehad met mijn naam en met wat ik als vrouw heb geërfd zonder dat iemand mij ooit heeft gevraagd of ik dat wilde. Elke ruïne die mijn ouders met zich meebrachten naar Nederland is onder mijn huid gaan zitten , als iets wat zich niet liet vertalen in dit kleine kikkerlandje. Iets waarvoor ik geen woorden vond in de feministische literatuur die ik moest lezen voor mijn studie, noch in de geschiedenisboeken waarin ik leerde wie er herdacht mocht worden.
Thuis leerde ik die woorden evenmin.
Zo heb ik nooit mogen leren over Zabel Yesayan, een vrouw die op zeventienjarige leeftijd Armenië verliet om te kunnen blijven schrijven. Een vrouw die terugkeerde in een genocide, en bleef schrijven.Zelfs toen de communisten haar dreigden te zuiveren en zij uiteindelijk in hun handen stierf, of “simpelweg” verdween.
Wanneer er over strijd wordt gesproken, hier in Nederland of in mijn Armenië, worden vrouwen uitgewist en tot onwetenden gemaakt. Zelfs hun dood blijft vaak onvermeld, laat staan hun leven. Toch kennen we hun levens in hun geschriften. Zo weten we dat Zabel pleitte dat we ons bloedende land in zijn ware kleuren moesten zien, dat we de moed moesten hebben om te blijven kijken. En dat deed ze ook.
Ze zag hoe vrouwen tot bezit gemaakt, hoe kinderen restanten van oorlog werden. En zelfs haar vijand, degenen die haar naasten hadden uitgeroeid, bleven voor haar mensen.
Echter, mannen die het werk van Zabel verspreidden schreven dat de woorden van een vrouw minder waren dan die van een man. Zo verloor haar pleidooi zijn kracht nog voordat het gehoord kon worden. En als ik terugkijk op mijn familie, doet het pijn dat haar woorden nog steeds geen kracht hebben gedragen. Vrouwenrechten waren voor haar een strijd tegen alle haat. Gelijkheid kon niet bestaan zonder recht voor iedereen, ongeacht het bloed onder iemands vingertoppen. Ze leefde mee met de ´ander´, zelfs na haar eigen aangrijpende ervaringen in de nasleep van de bloedbaden in Adana.
Als ik kijk naar alle geweld in mijn thuisland, wou ik dat de woorden van Zabel iets meer waren begrepen Misschien was er dan minder geweld geweest en waren mijn ouders nooit gevlucht. Noch hier, noch daar erkennen we een strijd die gekleurd is door inkt. Een strijd in schrift. De strijd van een vrouw.
Zabel vocht niet alleen tegen geweld, maar tegen een wereld die vrouwen niet als getuigen erkent. In haar eigen woorden hoor je ook de noodzaak om zichzelf te legitimeren, niet als vrouw maar als “gewoon mens”. Alsof vrouw-zijn op zichzelf al een diskwalificatie is om enige historische waarde te mogen hebben.
Misschien is dat wat ik van Yesayan heb geërfd, meer dan slechts een gedeelde achternaam: een lichaam dat herinnert. Een stem die weet dat zwijgen nooit neutraal is. Sommige vrouwen worden herdacht. Andere blijven spreken, zelfs als niemand meer luistert.
En ik hoop dat haar woorden, zelfs na haar dood, blijven klinken:
'Literatuur is een wapen in de strijd tegen onrecht.'
Op 4 mei wordt er een paar minuten stilgestaan, maar ik ken stilte als iets wat vrouwen zoals ik wordt opgelegd. Iets wat zich vastzet in generaties. Misschien is herdenken voor mij daarom een weigering: een naam dragen zonder haar geschiedenis te erkennen, dat kan ik niet.
Mijn waarden worden in Nederland vaak niet herkend als eigen, omdat ze afkomstig zijn uit een zogenaamd traditioneel land, alsof kritiek en feminisme daar niet zouden bestaan. Maar een uitzondering ben ik niet. Daarom wil ik ook schrijven. Schrijven zoals zij deed, zodat uitroeiing niet de enige geschiedenis blijft die wij mogen kennen.
I have always struggled with my name. Struggled with what I, as a woman, have inherited without ever being asked whether I wanted to inherit it. Every ruin my parents brought with them to the Netherlands has settled beneath my skin, like something that could not be translated in this small, flat country. Something for which I found no language in the feminist literature I had to read for my studies, nor in the history books in which I learned who was allowed to be remembered.
At home, I was never taught those words either.
So, I never learned about Zabel Yesayan, a woman who left Armenia at seventeen in order to keep writing. Who returned and found a genocide, and continued to write even when the communists threatened to purge her, until she ultimately died in their hands, or “simply” disappeared.
When struggle is spoken about, here in the Netherlands or in my Armenia, women are erased and turned into the unknown. Even their deaths often remain unknown, let alone their lives. And yet we know their lives through their writings. We know that Zabel insisted we had to see our bleeding country in its true colours, that we had to have the courage to keep looking. And looking, she did.
She saw women turned into property, children reduced to remnants of war. And even her enemy, those who had exterminated her loved ones, remained human to her. However, the men who circulated Zabel’s work wrote that the words of a woman were worth less than those of a man. In this way, her plea lost its force before it was even heard. And when I look back at my blood, it still hurts that her words have not carried their full weight. For Zabel, women’s rights were a struggle against all hatred. Equality could not exist without justice for everyone, regardless of the blood under one’s fingertips. She empathised with the “other,” even after her own harrowing experiences in the aftermath of the massacres of Adana.
When I look at all the violence in my home country, I wish Zabel’s words had meant something. Perhaps there would have been less violence, and my parents would never have had to flee. Yet neither here nor there do we recognise a struggle that is also shaped, also coloured. A struggle in writing. The struggle of a woman.
More than a struggle against violence, Zabel fought a world that does not recognise women as witnesses. In her own words, one also hears the need to justify herself, not as a woman, but as an “ordinary human being.” As if being a woman in itself were a disqualification from having historical value.
Perhaps that is what I have inherited from Yesayan, more than just a shared surname: a body that remembers. A voice that knows silence is never neutral. Some women are commemorated. Others continue to speak, even when no one is listening anymore.
And I hope her words, even after her death, continue to resonate:
“Literature is a weapon in the struggle against injustice.”
On May 4th, we observe a few minutes of silence, but I know silence as something imposed on women like me. Something that settles across generations. Perhaps that is why remembrance, for me, is a refusal: I cannot carry a name without acknowledging its history.
My values are often not recognised in the Netherlands as my own, because they are assumed to come from a so-called traditional country, as if critique and feminism could not exist there. But I am not an exception. That is why I want to write. To write as she did, so that annihilation is not the only history we carry within ourselves.
Bronnen/Sources:
Manoukian, J. 2014. Zabel Yessayan: Portrait of the Writer as a Young Woman. The Armenite. Yerevan: The Armenite (http://thearmenite.com/2014/04/zabel-yessayan-portrait-of-the-writer-as-a-young-woman/).
von Dewitz, L. 2012. Zabel Yesayan: First Ottoman-Armenian socialist-feminist pacifist female writer. Instanbul: Women’s Museum (http://www.istanbulkadinmuzesi.org/en/zabel-yesayan).

Mariam Jessajan is een media-analist met een sterke focus op de kruispunten van liefde, schoonheid en seksualiteit binnen de media- en consumentenomgeving.
Mariam Jessajan is a media analyst with a strong focus on the intersections of love, beauty, and sexuality within the media and consumer landscape.




Opmerkingen